Als je alles optelt, moeten we heel veel investeren!

Er was de afgelopen maanden veel discussie over een investeringsfonds van het Rijk. Er was veel minder discussie over welke investeringen in Nederland de komende jaren allemaal nodig zijn en gefinancierd moeten worden door of met hulp van de overheid. En dat is gek. De inhoud is toch belangrijker dan de vorm, zou ik zeggen. Er zijn wel veel belangengroepen die begerige ogen werpen op het nog niet bestaande fonds, maar ik ken nog geen inventarisatie van alle investeringen die in Nederland moeten plaatsvinden om de klimaat- en energiecrisis op te lossen, de woon crisis te lijf te gaan en het digitaliseringstijdperk actief te betreden. Ik heb op deze onderwerpen uit diverse rapporten eens wat cijfers op een rijtje gezet en toen telden de bedragen moeiteloos op tot een totaal van boven de 350 miljard euro tot 2040. Dat ging niet over investeringen die leuk zijn om te doen, maar om investeringen die nodig zijn om alle crises te bezweren (en dan noem ik de digitaliseringsachterstanden ook maar even een crisis). Bij veel van dat bedrag staat de overheid direct of indirect aan de lat voor de financiering.

Dat is best veel geld, maar niet onmogelijk veel geld. Als we aannemen dat we jaarlijks 20 mrd euro extra aan investeringen zouden doen, is dat nog maar een beperkt deel van ons nationaal spaaroverschot. Immers dat spaaroverschot (ofwel ons overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans) stond vorig jaar op 84 mrd euro. Internationaal wordt dat grote overschot al jarenlang als een knelpunt van onze economie beschouwd. De investeringen zijn nodig om het hoofd te bieden aan de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd. Maar ze kunnen ook bijdragen aan de versterking van de economische groei van ons land. In welke mate dat is hangt af van de manier waarmee ze worden gefinancierd. Als de overheid de investeringen rechtstreek uit de belastingen financiert, is het groei effect minimaal, omdat vooral de particuliere bestedingen zullen worden verdrongen. Een studie uit 2017 van de Nationale Bank van België laat dat mooi zien. Voor investeringen kun je lenen. Het is zelfs verstandig om te lenen als de baten van de investeringen pas in latere jaren vallen. Om de overheidsinvesteringen echt te laten bijdragen aan onze economische groei moeten we ze dus met obligaties financieren en niet via de belastingen. Het is dan ook pijnlijk te moeten lezen dat onze energierekening de komende jaren fors omhoog gaat omdat de netwerkbedrijven hun investeringskosten rechtstreeks gaan doorbelasten. Zo moet het dus niet!

Een paar procentpunt BBP aan schuldfinanciering jaarlijks erbij op de Rijksbegroting, is dat te doen? Tja, daar heb je niet persé een fonds voor nodig, maar je zult er de huidige spelregels wel op aan moeten passen. En bovenal, er zal een enorme uitvoerende slagkracht moeten worden georganiseerd om de benodigde investeringen in het benodigde tempo gerealiseerd te krijgen!

Op de artikelenpagina werk ik het thema wat verder uit.

De natuur kan niet komen schreeuwen op het Malieveld

Ooit heb ik geleerd dat de belangrijkste functie van de rechtstaat is om de burger te beschermen tegen de overheid. Met de uitspraak van de Raad van State over het Nederlandse stikstofbeleid zien we ook nog een andere beschermfunctie van de rechtstaat, namelijk de bescherming van natuur en milieu tegenover economische deelbelangen. We hebben het in Nederland zover laten komen dat de belangen van natuur en economie hard met elkaar in botsing zijn gekomen. Dat is best een ingewikkelde belangenstrijd. Korte termijn economie tegenover lange termijn natuur en milieu. Heel zichtbare en hoorbare belangenvertegenwoordiging van economische deelbelangen tegenover een stemloze natuur en milieu. Onze democratische rechtstaat neemt ook niet automatisch de goede afslag als het gaat om het vinden van de goede balans tussen de verschillende belangen. Kijk naar de PAS-besluitvorming in 2012/2013. Lang hebben we gedacht of gehoopt dat, hoe schaars de ruimte in Nederland ook is, we de verschillende belangen wel konden stapelen in plaats van afwegen. Maar helaas, Nederland is erg vol met 17 miljoen Nederlanders en hun economische activiteiten, zodat de Commissie Remkes terecht constateert dat “Niet alles kan”. Die constatering is natuurlijk niet nieuw. We weten het allang, al zeker sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, maar hebben er niet altijd naar gehandeld.

Wat beschermt de rechtstaat nu precies als het om natuur en milieu gaat? Gaat het alleen om een paar vlindertjes en de wensen van een paar milieuactivisten, zoals de demonstranten op het Malieveld ons graag willen laten geloven? Nee. Natuurlijk is het heel goed als we de menselijke soort niet als alleenzaligmakend benoemen tegenover alle andere levende organismes op deze planeet, maar het gaat ook om menselijke belangen zelf, om elementen van onze ‘brede welvaart’. Neem het belang van een florerende natuur. Deze verleent ons wat we noemen natuurlijke ecosysteemdiensten. Het natuurlijke ecosysteem, dat een uitgebalanceerd maar kwetsbaar geheel is van alle onderdelen van de natuur, levert niet alleen voedsel, bouwstoffen en energie, maar zuivert ook water en lucht, organiseert de bevruchting van fruitbomen en andere gewassen, is belangrijk voor onze (mentale) gezondheid, levert een belangrijke recreatieve functie, en kan ons beschermen tegen de extremen van het klimaat. In ons BBP kennen we er geen getal aan toe. Daarom is het BBP ook maar een heel beperkte maatstaf. Het betekent zeker niet dat de ecosysteemdiensten niet belangrijk zijn.

De lange termijn gezondheidseffecten komen we veel vaker tegen. Bijvoorbeeld in het recente PFAS probleem. Of het fijnstofvraagstuk. Of het geluidsoverlastvraagstuk. Voor onze lange termijn gezondheid komen we niet naar het Malieveld. Maar de onzichtbare belangenstrijd moet wel ergens in balans worden gebracht en gehouden. Daar hebben we onze rechtstaat voor!

Globalisering vereist meer overheid


Als je ziet dat gewone mensen niet profiteren van de economische groei, en dat gewone medicijnen plotseling niet meer leverbaar zijn, of dat Facebook van jouw data een miljardenbedrijf heeft gemaakt, en dat het milieu- en klimaatprobleem maar heel aarzelend wordt aangepakt, denk je toch al gauw dat het kapitalistische systeem niet meer werkt. Het is allemaal de schuld van het neoliberalisme, hoor je steeds vaker. Veel van dit soort uitingen zijn niet erg oplossingsgericht. Maar dat er vandaag de dag maatschappelijke problemen zijn die urgent een oplossing vragen is wel duidelijk. Wie zit er eigenlijk aan het stuur van de economisch-maatschappelijke ontwikkelingen? Hebben we zelf nog iets te vertellen, of worden we beheerst door een paar grote multinationals?

)We kennen in Nederland geen ongebreideld kapitalisme. Er is eerder een sturingsdriehoek, met een balans tussen de marktkrachten, de overheidsregulering en de sociale sturing. Die laatste component onderschatten we vaak, maar is wel degelijk van grote betekenis. Soms wordt het gemeenschapszin genoemd, of het sociaal contract, of het poldergevoel. (ik heb het eerder wel het menselijk sentiment genoemd) Het gaat om het gevoel bij elkaar te horen, elkaar iets te gunnen, de kwetsbaren niet wegduwen, de mens centraal houden.  De sturingsdriehoek is door de grote bewegingen van globalisering, digitalisering en klimaatverandering op sommige terreinen uit balans geraakt. Bijvoorbeeld als de marktkracht van een multinational onevenredig is gegroeid, of de sociale sturing is afgebrokkeld, of de overheidsregulering zijn effectiviteit is kwijtgeraakt. Die onbalans is op zich niet dramatisch, dat hoort bij verandering, maar moet niet worden genegeerd. Dus als het gaat om de beloning voor arbeid, of de medicijnenmarkt, of de markt van persoonsgegevens, is het nodig te onderzoeken of de balans inderdaad is verstoord en hoe die kan worden hersteld. Vaak zal die analyse uitwijzen dat we vooral de balans tussen markt en overheid moeten wijzigen, met een grotere rol voor de overheid. Dat klinkt ideologisch, maar is eigenlijk vooral analytisch en praktisch. De keuzes van het verleden tussen markt of overheid zijn niet heilig, lijkt me.

Op de artikelenpagina werk ik het verder uit.

Beleid zonder getallen, daar koop je eigenlijk niks voor

Een tijdje geleden heb ik de ontwerp Nationale Omgevingsvisie gelezen. De NOVI. Hij was in augustus ter inzage gelegd en alle burgers van Nederland konden er tot eind september hun zienswijze op formuleren. Die zienswijzen moeten het ministerie van BZK helpen bij het formuleren van de definitieve versie. Ik was er bij toeval op gestuit, u hebt hem waarschijnlijk gemist, de media hebben de NOVI totaal genegeerd. Dat is raar, want de NOVI is straks een belangrijk beleidsinstrument voor het Rijk in de formulering van de (grotendeels gedecentraliseerde) ruimtelijke ordening. Hij vervangt de instrumenten van de afgelopen zestig jaar: de nota’s Ruimtelijke ordening, de Planologische Kernbeslissingen, de nota Ruimte. Het is een verbazingwekkend document, verbazingwekkend in zijn gebrek aan concreetheid. De NOVI bevat denkrichtingen voor de ruimtelijke ordening tot 2050, maar vrijwel geen enkel getal, en biedt geen enkel zicht op de benodigde oplossingen van de problemen waar Nederland nu voor staat: de woningnood, het stikstofprobleem, het fileprobleem, de binnenstedelijke verstopping van het verkeer, en alle klimaat- en milieuvraagstukken. Dat is toch best vreemd, voor een tekst van honderden bladzijden waaraan door een veelheid van departementen is gewerkt.

Geen enkel getal, dat ben ik de laatste tijd vaker tegen gekomen. Bijvoorbeeld vorig jaar september in de brief aan de Kamer over Leven lang ontwikkelen (LLO) van de ministers van SZW en OCW. Daarin wordt beschreven wat het belang is van LLO, en wat er -met mondjesmaat= aan geld beschikbaar is gesteld. Maar geen woord, geen enkele analyse, geen enkel getal over wat er nodig is aan LLO inzet om de arbeidsmarkt goed te kunnen laten functioneren. Dat het ook anders kan wordt gedemonstreerd in het DenkWerk rapport ‘Arbeidsmarkt in Transitie’ (2018). Dat rapport laat ook nogal duidelijk zien dat de huidige inzet schromelijk tekort schiet. Er staan ook weinig concrete getallen in de Prinsjesdagstukken van vorige maand. Er wordt aangegeven wat het kabinet aan extra middelen inzet voor de woningbouw, maar op geen enkele manier wordt aangeduid wat er nodig is aan inzet om de beoogde doelen in de woningbouw te bereiken. En de middelen die beschikbaar worden gesteld om de ondermijning en de drugscriminaliteit te bestrijden worden nergens geconfronteerd met wat je er mee kunt bereiken, en de vraag of extra inzet van middelen op een mislukt beleid van de afgelopen dertig jaar tot voldoende resultaat zal leiden wordt niet gesteld, laat staan beantwoord.

Zo kan ik nog een flinke tijd doorgaan. Beleid wordt heel vaak geformuleerd in mooie woorden, maar niet gekwantificeerd in termen van concrete doelen en de benodigde inzet die tot die doelen moet leiden. Het enige dat wordt vastgelegd is het beschikbare budget. Doelen stellen is in de politieke cultuur van vandaag gevaarlijk, want daar kun je op afgerekend worden. De inzet specificeren is lastig, want dan moet je kiezen voor instrumenten die bewezen hebben te werken, en wordt de ruimte voor partijpolitieke ideetjes beperkt. Maar het gevolg van het niet willen kwantificeren is wel dat we een stikstofprobleem hebben, en een woningtekort, een lerarentekort, een fileprobleem. En we geen idee hebben of het fileprobleem in Nederland wordt verminderd, of de ondermijning wordt gekeerd, of de ruimtelijke inrichting de echte knelpunten gaat oplossen en of het arbeidsmarktaanbod de komende jaren over de skills beschikt die nodig zijn.

Geen idee, dat is wel jammer, en eigenlijk ook wel heel raar. Onbegrijpelijk, eigenlijk. Misschien wel een mooi thema voor een dialoog tussen kabinet en parlement.

Vertrouwen herstellen met 21e-eeuwse visie en slagkracht

We hebben bijna het beste pensioenstelsel van de wereld, maar na meer dan tien jaar discussiëren over noodzakelijke aanpassingen vertrouwt niemand in Nederland er meer op. We hebben een super ambitieuze klimaatdoelstelling voor 2040 en 2050, maar na de recente chaos omtrent het klimaatakkoord gelooft niemand meer dat we op koers liggen om die doelen ook echt te halen. We praten al twintig jaar over “leven lang leren”, maar we zien er in het dagelijks leven niets van terug.

Is het dan een wonder dat de burger er geen vertrouwen meer in heeft dat de overheid in staat is de vraagstukken van deze tijd adequaat aan te pakken? Nee, dat is geen wonder, maar zorgelijk is het wel. Want een burger die zich afkeert van de huidige overheid kiest wellicht voor anti-establishment verhalen, kiest voor gele hesjes, voor een Brexit of een zogenaamde sterke man. Waar de politiek verantwoordelijken worstelen met de verkeerde vraagstukken en geen visie kunnen neerzetten over de ontwikkeling van het maatschappelijk welbevinden in deze eeuw, hebben de populisten juist wel een krachtig verhaal over hoe zij de toekomst zien: eigen land eerst, vreemde snuiters eruit, weg met de EU. Om deze krachtige verhalen, die rationeel beschouwd alleen maar tot ellende kunnen leiden, te kunnen pareren zijn betere verhalen nodig. Geen visie willen hebben kan dus echt niet meer. Alleen maar sturen op budget en koopkracht kan ook niet meer.

Inmiddels vragen de partijen in de Tweede Kamer zich af waarom zij zich zo weinig hebben ingelaten met het digitaliseringsvraagstuk. Dat is één van de grote thema’s van deze tijd, waaraan inderdaad heel weinig aandacht, ruimte, capaciteit en middelen wordt toegekend. Voor andere grote thema’s geldt hetzelfde. Aandacht geven aan nieuwe vraagstukken vraagt om ruimte creëren, en dus om opruimen. Minder aandacht voor de vraagstukken uit de vorige eeuw, minder aandacht voor incidenten. Depolitiseer de oude vraagstukken, dat voorkomt ook het slingergedrag dat we op veel beleidsterreinen tegen komen. Het zijn grote woorden, maar om onze democratie gezond te houden, levend te houden misschien zelfs wel,  is visie en slagkracht nodig op de grote maatschappelijke thema’s van deze eeuw.

Op de artikelenpagina wijd ik verder uit op het sturingsvraagstuk van het maatschappelijk welbevinden.

Bij mijn afscheid van SZW

Eind mei nam ik afscheid van het ministerie van SZW als directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie. Mijn periode van zeven jaar zat er op. Een mooie gelegenheid om eens terug te blikken.

Ik heb met veel plezier op het departement gewerkt. De sfeer is goed, er wordt op alle niveaus goed samengewerkt, waar nodig wordt snel en zakelijk output geleverd (stukken voor de Tweede Kamer bijvoorbeeld), en de oriëntatie op de uitvoering (UWV, SVB en de gemeenten) is flink gegroeid. De medewerkers zijn enorm gecommitteerd aan de missie van SZW om vooral kwetsbare Nederlanders vooruit te helpen, en verliezen weinig energie aan competentiedrift. Kortom, ik had fijne collega’s. En ook fijne bewindspersonen, die zich verbonden voelden aan het departement.

Het gevaar van een goed draaiend departement is dat je denkt dat het met het beleid waar je verantwoordelijk voor bent ook wel goed gaat. Dat is helaas maar zeer ten dele waar. Het primaire beleidsdoel in de sociale zekerheid is mensen die op zeker moment niet zelf hun geld verdienen zo snel en zo goed mogelijk te activeren zodat ze weer maximaal mee gaan doen. Ook voor mensen die het op eigen kracht nooit zullen kunnen toch een volwaardig bestaan mogelijk maken. Daar zijn we nog ver van af. Er staan nog veel te veel mensen langs de kant. Mensen die door de uitvoerende instanties niet worden gekend of niet worden aangesproken, Mensen die in de Nederlands arbeidsmarkt geen serieuze kans wordt geboden omdat werkgevers het niet met hen aandurven. Mensen die opgroeien in een wijk waar het normaal is om niet te werken. Mensen die het ondersteunende systeem zo onbegrijpelijk vinden dat ze maar veilig in hun schulp blijven zitten. Mensen die hun leven zo plooien dat ze onnodig maximaal van een uitkering kunnen genieten. Mensen die het vertrouwen in de overheid zijn kwijtgeraakt. Eén van mijn grootste frustraties is dat het niet gelukt is om de grote groep Syriërs die in 2015 in Nederland binnenkwam hier binnen twee jaar aan het werk te hebben. Mensen die als ze niet in Nederland waren beland maar in Turkije waren blijven hangen allemaal voor hun eigen kostje hadden moeten zorgen. Dat ook kunnen en willen. Na twee jaar in Nederland had nog geen 15% betaald werk. We doen dus iets heel erg fout.

Je zou hopen dat in het socialezekerheidsbeleid stap voor stap aan verbetering wordt gewerkt. Stappen waarvan onderbouwd is dat ze de goede kant uit gaan. Onderbouwd op basis van onderzoek of praktijkervaringen, in binnen- of buitenland.  Helaas wordt het beleid zo niet gemaakt. Het beleid slingert wat heen en weer, gedreven door vermeende beelden of ideologieën, of door partiële of kortzichtige budgettaire inzichten.  Ik heb het mogen meemaken, ik heb er aan meegewerkt. Veel beleidsinterventies maken de wereld niet zo zeer beter, als wel ingewikkelder. Voor de uitvoering is een woud aan regels gecreëerd, uitvoerende instanties proberen krampachtig de mensen die zijn ondersteunen te wringen binnen hun kaders. Er wordt gehandeld met klanten voor een bepaalde ondersteuning, niet met mensen en hun onoplosbare problemen. Het sociale domein is enorm verkokerd, en veel werkenden binnen die kokers vinden dat ook wel best, of zien niet hoe zij dat kunnen veranderen.

Dat klinkt allemaal best somber. Gelukkig gaat er ook veel wel goed, en worden met de bijna 80 miljard euro die wordt uitgegeven aan de sociale zekerheid heel veel mensen echt behoed voor grote ellende. Maar het laat zien waar de uitdagingen en de kansen liggen, en gelukkig wordt aan die kansen ook gewerkt: Ruimte creëren voor onderzoek en experiment. Ruimte creëren voor onderbouwde beleidsinterventies. Ruimte creëren in het integrale sociale domein voor maatwerk in de ondersteuning voor mensen. Ruimte afdwingen voor participatie op de arbeidsmarkt. Regelingen versimpelen en de foute prikkels er uit halen. Ook daar heb ik aan mogen werken. Dat werk is nog lang niet af. Ik hoop dat de Nederlandse politiek de ruimte gaat geven om langs deze lijnen beleid door te ontwikkelen. en wat zou het dan mooi zijn als over een tijd de 80 miljard naar beneden gaat, niet als gevolg van een taakstelling of een bezuiniging, maar als gevolg van een succesvol beleid.

Ik heb binnen en buiten het departement de zoektocht mogen ondernemen naar een betere sociale zekerheid. De laatste jaren heb ik dat gecombineerd met een ontdekkingstocht naar de maatschappelijke impact van het opkomende digitale ecosysteem. Veel mensen hebben mij geïnspireerd, ik heb met veel mensen heel plezierig samengewerkt. Voor mijn afscheid heb ik een afscheidsboek gekregen met prachtige bijdragen aan het debat over een betere sociale zekerheid in een snel veranderende (en digitaliserende) wereld.

Het is te vinden op de Artikelenpagina.

De oude economie vecht harder dan de nieuwe (en de politiek is daar gevoelig voor..)

D

We zitten middenin een stevige transformatie van onze economie. Van onze hele samenleving eigenlijk. Het nieuwe digitale ecosysteem wordt steeds zichtbaarder en tastbaarder. We noemen het de vierde industriële revolutie. Ook experts zijn verbaasd over de snelheid van de huidige ontwikkelingen. Ja, een percentuele groei heeft een exponentieel karakter, en dat valt vooral op als de percentages hoog zijn. De komende twee jaar gaat alles weer sneller dan de afgelopen twee jaar.

De afgelopen jaren zijn veel zorgen geuit over de effecten van het nieuwe digitale tijdperk op de arbeidsmarkt. Gaan er veel banen verloren omdat ze worden overgenomen door computers en robots? Vanwege die zorgen is er ook hard op gestudeerd. De conclusie van de meeste van deze studies is: het baanverlies valt mee, reken op zo’n tien tot vijftien procent, maar heel veel banen gaan wel veranderen qua taakinhoud. In misschien wel driekwart van alle banen wordt een deel van de taken gedigitaliseerd, vooral de routinematige taken. Verder verloopt de economische ontwikkeling niet heel veel anders dan de afgelopen honderd jaar. Er verdwijnen ieder jaar banen, er verdwijnen langzaam maar zeker hele beroepen, en er komen elk jaar nieuwe banen bij, en ook weer nieuwe beroepen. 

De Nederlandse denktank DenkWerk, waar ik lid van mag zijn, heeft vorige maand een analyse gepresenteerd wat dit betekent voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Die analyse leverde twee belangrijke conclusies op. De eerste is dat er stevig geïnvesteerd moet worden in de digitale vaardigheden van heel veel Nederlanders. De tweede is dat door de verwachte daling van het arbeidsaanbod in het volgende decennium (dus in totaal minder mensen die kunnen of willen werken) er grote krapte dreigt te ontstaan voor de ‘nieuwe’ banen. Om de economie productief en concurrerend te houden moeten werkenden versneld uit ‘oude’ banen toegeleid worden naar ‘nieuwe’ banen. Bij- en omscholingstrajecten moeten daarvoor de ruimte creëren. Het is allemaal na te lezen op DenkWerk.online

Als het gaat om ‘oude’ banen en ‘nieuwe’ banen gaat het meestal ook om ‘oude’ bedrijven en ‘nieuwe’ bedrijven, ofwel gevestigde bedrijven tegenover de nieuwkomers. Het is natuurlijk niet te verwachten dat de gevestigde bedrijven vanzelf meewerken aan het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt voor de nieuwkomers. Integendeel, zij zullen zichzelf proberen te beschermen en daarvoor ook steun zoeken. Daarmee dreigt op twee manieren een ongelijke strijd te ontstaan. Nieuwe bedrijven gebruiken vaak de nieuwste digitale technieken. Op verzoek van de Stichting Toekomst der Techniek (STT) heeft de TU Delft vorig jaar geanalyseerd wat de stimulansen en belemmeringen zijn voor technologische doorbraken. Uit die studie bleek dat wet- en regelgeving vaak tot het langst een belemmering blijft. Nieuwe bedrijven hebben daar vaak mee te kampen. Het blijft vaak onduidelijk wat ze wel of niet kunnen en mogen uitvoeren aan nieuwe bedrijvigheid. Dat is de eerste ongelijke strijd met het gevestigde bedrijfsleven. De tweede is dat het gevestigde bedrijfsleven goed is georganiseerd en een goed netwerk heeft opgebouwd in de bestuurslagen. Hun belangen worden dankzij intensieve lobby goed voor het voetlicht gebracht. En vaak gepresenteerd als algemeen belang. Zij zorgen immers voor veel werkgelegenheid. Deels in de ‘oude’ banen, natuurlijk.

Het is voor de overheden een ingewikkelde uitdaging om deze strijd tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ op een vlak speelveld te laten plaatsvinden. Dat vraagt om een zekere distantie. Het vraagt ook om veel meer snelheid als het gaat om de wet- en regelgeving op het gebied van nieuwe technologie. Nieuwe software komt vaak in zogenaamde ‘sprints’ tot stand, korte heel intensieve periodes waarin iets concreet wordt gebouwd. Dat zou de wetgever kunnen kopiëren, in korte sprints samen met een groep deskundigen gevraagde regelgeving kunnen opzetten. Verder vraagt het natuurlijk om een goede borging van de maatschappelijk vereiste investering in om- en bijscholing.  Tenslotte vraagt het om een goede afweging van alle economische en maatschappelijke belangen, die vooral toekomstgericht is. Dat is het wezen van onze democratie, dat alle belangen een plekje krijgen in de bestuurlijke afwegingen.. De eerlijkheid gebiedt te constateren dat de gevestigde belangen vaak een zwaardere stem hebben in de bestuurlijke afweging dan de belangen van de nieuwkomers. Dat helpt niet met de toekomstgerichtheid. Maar de analyse van DenkWerk kan hierbij helpen. Als de gevestigde bedrijven melden dat er veel banen verloren dreigen te gaan, kan dat ook worden geduid als een kans! Dat geeft ruimte voor de ‘nieuwe’ banen! Het maatschappelijke belang zit er dus niet zozeer in dat de oude banen worden beschermd, maar dat werknemers goed worden ondersteund in het vinden van een nieuwe baan die past in de economie van de vierde industriële revolutie. Steeds weer zien we dat dit best een ingewikkelde uitdaging is.

Met overheidsinvesteringen bouwen aan onze toekomst

In de laatste Miljoenennota worden de begrippen intensivering en investering moeiteloos door elkaar gebruikt. Extra geld voor meer onderwijzers wordt benoemd als investering in de samenleving, bijvoorbeeld.  In het budgettaire denken is het onderscheid tussen lopende uitgaven en investeringen blijkbaar weggevallen. Maar in het economisch denken is dat onderscheid juist heel wezenlijk. Investeren doe je om je adequaat te prepareren op de toekomst. Dat geldt in het huisgezin, dat geldt in een bedrijf, en natuurlijk ook voor de overheid. Wij moeten er op kunnen rekenen dat de publieke voorzieningen ook in de toekomst passen bij wat de maatschappij er dan van verwacht. Die maatschappij zal enorm veranderen. Bijvoorbeeld omdat hij duurzaam moet worden en klimaatvriendelijk. En omdat alles wat digitaal is, van robotisering tot kunstmatige intelligentie, een grote maatschappelijke impact zal hebben.  Je verwacht dus een samenhangend investeringspakket van de overheid. En dan is het toch wel verstandig als budgettair een helder onderscheid gemaakt wordt tussen lopende uitgaven en echte  investeringen.  Onderwijssalarissen zijn dan geen investering. Het onderwijsstelsel zodanig omvormen dat het onderwijs in de komende jaren jongeren en werkenden adequaat kan voorbereiden op een gedigitaliseerde arbeidsmarkt zou wel een mooie investering zijn.  Op de Artikelenpagina werk ik dit thema wat verder uit.

Lelystad, wel een vliegveld, maar geen ziekenhuis?

Als het over de uitbreiding van het vliegveld van Lelystad gaat, worden allerlei brede economische belangen in beeld gebracht. Maar een ziekenhuis dreigt te verdwijnen omdat een zorgverzekeraar de financiering niet meer kan of wil financieren. Spelen er geen bredere belangen bij een lokaal ziekenhuis? Natuurlijk wel. De (on)zekerheid over het krijgen van de goede zorg heeft een maatschappelijke prijs, de extra reistijd van alle betrokkenen ook, en wat zou het verschil in huizenprijzen gaan worden? Om maar eens een paar dingen te noemen. De overheid kan proberen die maatschappelijke kosten en baten een plek te geven in een systeem dat de continuïteit van een ziekenhuis borgt. Maar dat is in het publiek-private stelsel van de zorg nog niet zo eenvoudig. Hoe zorg je ervoor dat het management van een ziekenhuis deugt? Hoe borg je dat een financiële impuls in een ziekenhuis niet weglekt naar de verzekeraars? Hoe blijf je binnen de staatssteunregels van Brussel?

Een puzzel, die ik op de Artikelenpagina uitwerk, maar niet kreeg opgelost…

Averechtse verkeersborden

Vroeger dacht ik, als ik rijdend over een Italiaanse weg weer eens een idioot geplaatst verkeersbord tegenkwam: dat hebben we in Nederland toch beter geregeld. Dat denk ik niet meer. Nu verbaas ik me over de schijnbaar slordige en totaal ondoordachte plaatsing van verkeersborden langs de Nederlandse snelweg. Dan heb ik het niet eens over de enorme bermvervuiling van alle borden die aangeven of je de volgende kilometers 120 of 130 mag rijden, overdag dan wel ’s nachts. Ik verbaas me vooral over de snelheidsbeperkende borden: 90 bij nat wegdek op een weg waar je 130 mag of plotsklaps 70 op een 100km weg vergezeld van een bord Slipgevaar. Neem nu die 90 bij nat wegdek. Het is al raar dat de 90 levensgroot is, en het bordje eronder pas veel later leesbaar is (en soms half achter de bermbegroeiing is verdwenen). Maar hoe werkt zo’n bord in op de psychologie van de weggebruiker? Wat gebeurt er met zijn gedrag? Wel, dat is simpel. Geen enkele automobilist trekt zich er iets van aan. Je zou ook wel gek zijn. Want stel je voor dat een automobilist  het bord serieus neemt en afremt op een nat wegdek, dan heb je toch al gauw slipgevaar, en erachter een enorme schrikreactie, een file of een kettingbotsing te pakken. Ik hoop ook maar steeds dat de CBR examinatoren dergelijke wegvakken vermijden, want wat moet je als examenkandidaat in zo’n situatie?  Het zal de bedoeling zijn dat zo’n bord de verkeersveiligheid vergroot, in werkelijkheid wordt die veiligheid eerder verkleind. Het bord plaatst de automobilist dan ook voor een vervelend dilemma: ik volg het gebod van het bord op en veroorzaak daarmee een onveilige situatie, of ik overtreed het gebod en ben dus strafbaar. Beste Rijkswaterstaat, het kan toch niet de bedoeling zijn om de automobilisten voor zo’n dilemma te plaatsen?

Goed, ik kan dus lekker mopperen, maar even goed is het wel een interessant vraagstuk. Rijkswaterstaat probeert met een verkeersbord het gedrag van de weggebruiker te beïnvloeden en dat lukt niet. Het bord sluit niet aan bij de psychologie van de automobilist. Ik weet niet of RWS gedragspsychologisch onderzoek hiernaar  heeft gedaan. Het lijkt er niet op, maar misschien onderschat ik dat. In elk geval, hoe doe je het dan wel? Een billboardcampagne langs de weg is misschien te vrijblijvend, en niet gericht op een specifiek wegvak. Een blauw vierkant  snelheidsbord is wellicht ook te vrijblijvend, hoewel ik denk dat het praktische effect minstens zo groot is als de borden die er nu staan. Een tekstbord dat uitlegt waarom er iets aan de hand is met dat wegvak gaat niet lukken als iedereen er met 130 km/u langs racet, en een zichtbare fysieke ingreep maakt het probleem waarschijnlijk ook alleen maar groter. Een rasterbord boven het betreffende wegvak dat aanspringt als de weg echt gevaarlijk nat is? Dat vindt RWS weer te duur, waarschijnlijk, en is trouwens ook filegevaarlijk, blijkt in de praktijk. Kortom, RWS krijgt nog niet zo gemakkelijk greep op de snelwegautomobilist. Maar ik hoop wel dat ze het dilemma van hierboven kunnen wegnemen. Misschien is dan toch de beste oplossing:  de weg ook veilig te laten zijn als hij nat is…