De tweede golf van de Coronacrisis is die van de arbeidsmarkt

De Nederlandse samenleving heeft de eerste golf van de Coronacrisis doorstaan. Eenvoudig was het niet. De zorg werd overspoeld met ingewikkelde patiënten. De IC capaciteit moest in noodtempo worden uitgebreid en tekorten dreigden. Het zorgpersoneel is (te) zwaar belast en is nog aan het uithijgen. De verpleegtehuizen hebben een grote sterfte onder hun bewoners niet kunnen voorkomen. Inmiddels zijn de besmettingsgetallen fors gedaald en begint de samenleving meer en meer uit te stralen dat het wel genoeg geweest is allemaal, en dat we weer gewoon willen kunnen doen. Maar dat kan nog niet. Het virus is de wereld nog niet uit, in tegendeel, het aantal besmettingen neemt nog hand over hand toe, vooral op het Zuidelijk halfrond, maar ook in Noord Amerika. We moeten dus alert blijven, en ons blijven houden aan een aantal sociale beperkingen. Waarschijnlijk tot een werkzaam vaccin gevonden is en in voldoende mate is verspreid. De economie zal vooralsnog blijven hangen op een 90% economie.

Onvermijdelijk komt er nu een tweede golf op ons af, die van massale werkloosheid. Dat begint bij de jongeren. Veel schoolverlaters  zullen na de zomer geen werk kunnen vinden. Dat de jeugdwerkloosheid oploopt tot rond de 20% is niet onwaarschijnlijk. Veel (flex)werkers profiteren nu nog van de steunmaatregelen die het kabinet heeft genomen om baanbehoud te borgen. Maar de steunpakketten kunnen niet oneindig doorgaan. Ook het CPB verwacht dat dit najaar bedrijven personeel zullen moeten laten gaan om te kunnen overleven. Faillissementen zullen stijgen in aantal. Ook vast personeel moet vrezen voor hun baan. Kwetsbare mensen met een beperking worden weer in een uitkering geduwd. Als de minder gunstige scenario’s van het CPB bewaarheid worden stijgt de werkloosheid tot boven de 10%, terwijl veel mensen zich dan al zonder hoop van de arbeidsmarkt hebben teruggetrokken en de arbeidsmigranten naar hun thuisland zijn teruggekeerd. Het is onvermijdelijk. In de recessie waarin we zijn beland heeft het weinig zin om mensen langdurig vast te houden in een baan als er geen werk is. Voor sommige banen zal het ook heel lang duren voordat dat oude werk er weer is. Daar kan beter niemand op wachten.

Het klinkt allemaal heel somber, en leuk is het ook niet. Het is wel belangrijk te beseffen dat dit op ons afkomt. En dat het onverstandig is om thuis op de bank te gaan wachten tot het werk dat je deed weer terugkomt, of tot de economie weer zo gegroeid is dat er vanzelf weer nieuwe banen komen. Het is ook verstandig om vooruit te kijken. Na de recessie komt herstel, en in dat herstel komen de problemen van de Nederlandse arbeidsmarkt weer even hard terug. Een lage arbeidsproductiviteit, een vaardighedenniveau dat niet aansluit bij het digitale tijdperk, schaarste in veel sectoren waar de groei vandaan zou moeten komen. En dit alles betekent dat we vanaf nu heel hard aan de slag moeten met een superactief arbeidsmarktbeleid. Dat lijkt een beetje op de eerste Coronagolf. Op zoek naar capaciteit om de golf te kunnen beheersen en af te vlakken. In dit geval zijn er heel veel mensen nodig die de begeleiding kunnen doen van de jongeren die van school afkomen en aan het werk zouden willen, van werknemers die in de ww dreigen te komen, van flexwerkers en zzp’ers die zonder werk komen en al snel de bijstand in dreigen te schieten. Al die mensen moet het perspectief geboden worden dat ze welkom zijn op de arbeidsmarkt, maar nu nog even niet of niet op de plek die ze zelf hadden bedacht. Dat is voor hun zelf belangrijk, maar dat is vooral voor onze economie belangrijk. Die moet deze tweede golf ook doorstaan op een zo goed mogelijke manier. Die moet nu klaargemaakt worden voor de toekomst na de coronarecessie. Op microniveau weten we dat bedrijven die tijdens een recessie doorgaan met investeren na de recessie het succesvolst zijn. Op macroniveau geldt dat niet anders. We moeten dus juist nu veel in mensen investeren.  In mensen met veel capaciteiten, maar ook in mensen met minder capaciteiten, om een inclusieve samenleving te borgen. Sommige mensen kunnen begeleid worden naar een andere baan, van de horeca bijvoorbeeld naar de zorg. Voor mensen met een beperking moeten banen gemaakt worden. Anderen moeten vooral een scholingstraject in, extra geschoold, omgeschoold of bijgeschoold. Soms in een leslokaal, maar vaak juist in een praktijkleersituatie.

Wat voor mensen zijn ervoor nodig om dit allemaal in goede banen te leiden? Ik denk alle mensen met ervaring met re-integratie bij gemeenten en UWV die maar beschikbaar zijn . En dat is lang niet genoeg. Dus ook alle werkbegeleiders van de uitzendbureaus die maar beschikbaar zijn. En heel veel docenten en praktijkleraren. Er is ook geld nodig. Re-integratiemiddelen bij gemeenten, die al jaren op een te laag niveau liggen. Idem bij het UWV, waar een aantal jaren geleden heel veel is weggesneden. Een derde noodpakket dat zich richt op scholing is essentieel. Scholingsvouchers kunnen daarbij helpen. Daarmee wordt structureel goed gemaakt dat Nederland veel te weinig inzet pleegt op Leven Lang Leren. Menskracht en geld ook effectief bundelen, en niet iedereen in zijn eigen zuil of koker een eigen wieltje laten uitvinden. Ik benoem het staccato, maar de actie die benoemd wordt is immens. Dat lijkt op de enorme inspanning die de zorgsector moest leveren tijdens de eerste golf. Die golf zag bijna niemand aankomen. Dat kunnen we van de tweede golf niet zeggen. Als we morgen beginnen met de voorbereiding, hebben we daar jarenlang enorm plezier van. En hebben we de samenleving gered van wanhoop en veel ellende, en de Nederlandse economie kracht gegeven voor een voorspoedig herstel.

Zorgvuldig kiezen in het ruimtelijk domein

Het ruimtelijk beleid staat in Nederland weer helemaal op de agenda, nadat het er decennia lang van af was gevallen. De stikstof- en natuurcrisis, de woningbouwcrisis, de klimaatcrisis: drie urgente problemen hebben laten zien dat we het  fysieke en ruimtelijke domein schromelijk hebben verwaarloosd.  Ze laten ook zien dat er op korte termijn fundamentele keuzes gemaakt moeten worden. De denktank DenkWerk, waar ik deel van uit maak, heeft in het rapport `Klein land, grote keuzes` aangetoond hoe schaars de Nederlandse ruimte is als we kijken naar de huidige ambities in het fysieke domein. Schaarste vraagt om heldere keuzes. Het DenkWerk rapport was een steen in de vijver, en dan is het altijd interessant om te kijken welke rimpelingen die steen oproept. Dan vallen een paar dingen op: de verkokering, de emoties en de schaarse kennis. Maar rimpelingen hebben hun toppen en hun dalen, er is door velen heel positief op het rapport gereageerd.

Allereerst de verkokering. Bijna geen enkele reactie ging in op het centrale thema van het DenkWerk rapport, namelijk dat er een integrale afweging moet komen tussen de ambities op het gebied van wonen, duurzame energie, mobiliteit, landschap, natuur en de economie, waaronder vooral de landbouw. En dat die afweging nu gemaakt moet worden.  Uitzondering daarop vormt de NOVI brief van 23 april jl. van de minister van BZK, die wel nadrukkelijk de integraliteit opzoekt, maar hem in het gepresenteerde tijdschema ook meteen weer demonteert. Er komen volgens deze brief in de tijd opeenvolgende trajecten voor wonen (zomer 2020), het landelijk gebied (eind 2020 een concept) en de energiestrategie (eind 2021 een concept).  Daar zou je een prioritering in kunnen lezen dat ruimte voor wonen boven ruimte voor zon en wind gaat, maar dat is geloof ik niet de bedoeling. Andere reacties op DenkWerk waren erg sectoraal gericht. Elke sector heeft in Nederland duidelijk zijn eigen wereldje, en dat zie je terug in de reacties. Vooral de woonsector was erg vocaal.  Het thema dat zon en wind heel veel ruimte kosten werd nauwelijks opgepakt. Het woonthema dus wel. Over binnenstedelijk bouwen versus bouwen in het landelijk gebied, bijvoorbeeld. Met veel emotie. DenkWerk werd nostalgie verweten, of heulen met de projectontwikkelaars, er werd met afschuw gerefereerd aan de ”ideologie” van de Vinex wijken, en schande gesproken van de mogelijke inbreuk op het Groene Hart. Naar mijn indruk werden vaak standpunten verdedigd vanuit demografische beelden van tien, twintig jaar geleden, die niet de verwachte groei laten zien die in de meest recente cijfers van het CBS zit, en los van de andere ruimtevragers van de huidige tijd. Dat laatste raakt aan het thema schaarse kennis. De integraliteit van het fysieke en ruimtelijk domein is zo groot dat het moeilijk is voldoende kennis naast elkaar te leggen om de benodigde afweging te kunnen maken. Niet zelden leidt het gebrek aan integrale kennis tot pleidooien voor een partiële oplossing van een onderdeel van het ruimtelijke of energievraagstuk. Gelukkig hebben we daar een Planbureau voor de Leefomgeving voor, die veel mooie en toegankelijke analyses publiceert. Maar zelfs het PBL slaat de plank nog wel eens mis. Op de Artikelenpagina ga ik in op de notitie “Binnenstedelijke appartementen of suburbane eengezinswoningen?” waarmee PBL medewerkers reageren op het DenkWerk rapport, met een ondeugdelijke statistische analyse en daarmee met ondeugdelijke conclusies. Zo wordt het kennisdebat niet verder geholpen.

Het is dus moeilijk en nodig. De sectorale werelden bij elkaar brengen, kennis vergaren, delen en vooral transparant maken, en zorgvuldig kiezen. Keuzes maken betekent ook pijn uitdelen. Emoties zijn onvermijdelijk. Bijvoorbeeld zal de landbouwsector qua ruimtelijk beslag een stap terug moeten doen. Dat is niet fijn, maar het is belangrijk daar eerlijk over te zijn en al zo vroeg mogelijk duidelijk te maken dat die pijn er aan komt.

Een tussenbalans van de pandemie

We zijn in een nieuwe fase van de coronapandemie beland. De exponentiële groei van de besmettingen is gestopt, de dreiging van een overbelasting van de zorg is verminderd. we hebben veel cijfers en de modellen zijn op basis van alle ervaringen aangescherpt. We weten dat er nog maar weinig mensen besmet zijn, we weten ook dat de sterftekansen door corona voor jongeren beperkt zijn, maar ook dat onze lockdown de reproductiefactor R niet ver onder de 1 heeft gebracht, zodat de exponentiële groei van de besmettingen op de loer blijft liggen. Wat kunnen we met deze kennis? Ik denk dat we van de kleine individuele risico’s gebruik moeten maken om de lockdown maatschappelijk draaglijker te maken. Micro ruimte gebruiken om maatschappelijk een macro effect te bereiken. Bijvoorbeeld met het hervatten van de voetbal eredivisie, zonder publiek. Voor de spelers niet een heel groot risico, voor de maatschappij weer iets om massaal naar uit te kijken. De R hoeft er niet door omhoog te gaan. Zo is er meer om rekening mee te houden en om te verzinnen: nuttig om een tussenbalans op te maken. Op de Artikelenpagina werk ik dit thema verder uit.

Nee zeggen tegen, of nadenken over eurobonds

Nederland is tegen eurobonds. Dat heeft onze minister van Financiën zijn Europese collega’s duidelijk laten weten. Maar daarmee is de discussie niet beslecht. Onder andere via de Europese Commissie worden er al financiële middelen voor de lidstaten gezamenlijk verworven, dat lijkt op eurobonds, en de zuidelijke lidstaten blijven hameren op de noodzaak tot de ontwikkeling van het instrument eurobonds. Eurobonds zijn staatsobligaties die door de eurolanden gezamenlijk worden uitgegeven en gegarandeerd, zodat de rente op de obligaties laag kan zijn, en gebruikt kunnen worden voor de financiering van de staatsschuld van die lidstaten die vanwege wantrouwen in de financiële markten zelf tegen hoge rentes zouden moeten lenen.

Nu heb ikzelf in 2014 in het boek “Het Crisisdiner” een pleidooi gehouden voor eurobonds, als een structurele versterking van de Economische en Monetaire Unie. Dus is het logisch dat ik denk dat het verstandig is om na te denken over de vraag of en hoe eurobonds van nut zouden kunnen zijn binnen de eurozone. Mijn redenering en mijn voorstel waren aldus.

Overheden horen de hoeder te zijn van monetaire stabiliteit en ten alle tijden het vertrouwen te kunnen borgen dat het geldstelsel zal blijven functioneren, onder andere door zelf nooit failliet te gaan of de eigen schuld niet te kunnen financieren. We zagen in de eurocrisis aan het begin van de jaren 10 van deze eeuw dat er twijfel ontstond over dit hoederschap. Financiële markten vertaalden die twijfel in torenhoge rentetarieven voor staatsleningen van Zuid-Europese landen. De overheden werden daardoor in plaats van hoeder van het monetaire systeem speelbal van de financiële sector. Om dat fenomeen uit het systeem te halen deed ik het voorstel voor de introductie van eurobonds, met daarin twee belangrijke elementen. Het eerste element was dat landen alleen hun bestaande schuld via eurobonds zouden kunnen herfinancieren. Nieuwe schulden zouden gewoon op de kapitaalmarkt gedekt moeten worden. Met deze regel wordt voorkomen dat de herfinanciering onbetaalbaar wordt door torenhoge marktrentes, maar dat er ook marktdiscipline blijft gehandhaafd op het aangaan van nieuwe schulden. Het tweede element betrof de regel dat de Europese  instantie die de eurobonds zou uitgeven deze zou doorsluizen naar de lidstaten met gedifferentieerde rentetarieven. Bijvoorbeeld met een opslag van een stevig aantal basispunten die afhankelijk is van de mate waarin de staatsschuld het EMU criterium van 60% overschrijdt. Ook hierdoor zou er een prikkel blijven bestaan om de staatsschuld niet onhoudbaar te laten groeien, maar de prikkel zou beheersbaar zijn en niet onmogelijk zwaar worden gemaakt door paniek of speculatie in de financiële sector. Met de opbrengsten van die renteopslag zou de uitgevende instantie ook een kapitaalbuffer kunnen opbouwen als extra waarborg van financiële soliditeit. Nederland zou samen met de andere eurolanden garant moeten staan voor de eurobonds, maar zou er zelf geen kosten voor hoeven te maken.

In het huidige tijdsgewricht van de coronapandemie is het logisch dat de eerste regel –alleen herfinanciering- enigszins wordt opgerekt. Alle Europese overheden zullen immers onvermijdelijk hun schulden zien oplopen. Maar dat kan zowel in tijd als in volume nauwkeurig worden begrensd. Ik denk nog steeds dat zo’n eurobond-systeem een nuttige toevoeging aan de stabiliteit van het EMU bouwwerk zou zijn. En die stabiliteit is in ieders belang. Misschien kan het nog slimmer en steviger. Daarom zou ik zeggen: vooral goed nadenken over eurobonds.

Het coronavirus bestrijden of de economie redden?

Nu de ramingen binnendruppelen over de gevolgen van de coronapandemie voor de economie beginnen ook steeds meer economen zich af te vragen of we niet teveel aandacht aan de gezondheid van mensen besteden en te weinig aan het behoud van onze economie. Heel bot gezegd: als er vooral zieke 80plussers aan het coronavirus doodgaan, hoeveel miljoen per mens is ons dat waard? Ook Frank Kalshoven pleit in de Volkskrant van 28 maart voor een afweging tussen gezondheid en economie. Kalshoven merkt daarbij wel op dat zo’n afweging niet voor gevoelige zielen is. Zo’n niet gevoelige ziel lijkt me de president van de VS, Donald Trump. Hij wil ook dat de Amerikanen na Pasen weer gewoon aan het werk gaan.  Wat de voorstanders van zo’n afweging denk ik onderschatten is het exponentiële karakter van de pandemie. Wat daarbij ook niet helpt is dat bijna niemand prognosecijfers durft te laten zien, en erg vasthoudt aan gerealiseerde cijfers tot nu toe. Het RIVM bijvoorbeeld heeft natuurlijk wel cijfers met verwachtingen voor de komende weken, maar die worden blijkbaar alleen vertrouwelijk gedeeld aan openbaar bestuur en zorg, om paniek te voorkomen. Van een exponentiële kromme is het verleden echt  een stuk geruststellender dan de toekomst.

Om Kalshoven en anderen een beetje gevoel te geven voor de denkbare maatschappelijke acceptatie van zo’n afweging tussen zorg en economie toch maar wat berekeningen over de komende weken. Laten we eens beginnen met de ontwikkelingen in de VS, en ons concentreren op het meest harde getal in de pandemie, het dagelijks aantal sterfgevallen. Het aantal gemeten besmettingen is erg onbetrouwbaar, omdat er maar weinig getest wordt in de VS. Net als in Nederland, trouwens. Het aantal doden maakt ook de grootste maatschappelijke impact, denk ik. De VS zitten op dit moment op ongeveer 400 sterfgevallen per dag. De VS hebben ongeveer de kortste  verdubbelingstijd qua besmetting van alle landen, van ongeveer drie dagen. De komende weken zal die verdubbelingstijd voor sterfgevallen zich nog niet heel erg aanpassen, want die is immers gerelateerd aan nieuwe besmettingen van een paar weken geleden. Voorzichtig houden we een verdubbeling per vier dagen aan. Dan telt de VS de dag voor Pasen ongeveer 5000 nieuwe sterfgevallen, en twee dagen na Pasen zijn dat er 10.000. Per dag! En nog stijl oplopend. En een compleet overbevraagd zorgsysteem, zodat veel mensen die een intensive care behandeling nodig hebben of bepaalde medicatie die niet kunnen krijgen. Ik denk niet dat Trump die dagen erg succesvol zal zijn in een oproep aan het Amerikaanse volk om weer gewoon aan het werk te gaan.

Hoe liggen die cijfers voor Nederland? Wij zitten ook nog met een situatie van een stijging van alle Coronagerelateerde cijfers van ongeveer 20% per dag. Dat is een verdubbeling per vier dagen. Het RIVM hoopte recent dat we die verdubbeling inmiddels tot staan gebracht hebben, wat zou betekenen dat we over een paar weken een stabilisatie van het aantal doden per dag tegemoet kunnen zien. Maar wel een stabilisatie op het niveau dat we dan bereikt hebben. Dus als we kijken naar het aantal dagelijkse sterfgevallen, dat 26 maart jl.  op 80 lag, zitten we over twee weken op een stabilisatie van mogelijk tussen de 500 en 1000 sterfgevallen per dag. Kan het cijfer daarna ook gaan dalen? Dat is natuurlijk wel de hoop, maar we zien in nog geen enkel Westers land tekenen dat de besmettingsratio R tot aanzienlijk onder de 1 gebracht wordt. Ik hoop heel erg dat het RIVM gelijk krijgt ten aanzien van de stabilisatie. Want als de verdubbeling per vier dagen vanaf nu nog vier weken zou doorzetten, zitten we eind april in Nederland op 10.000 sterfgevallen per dag. Dan is ook de gezondheidszorg in Nederland totaal kapot en krijgen velen niet de behandeling die hen van de dood zou kunnen redden. Dat is geen getal voor gevoelige zielen. Dat is een nationale ramp, die door iedereen als ramp beleefd zal worden. Over een paar weken kent iedereen wel iemand die aan het virus is overleden. Zo’n ramp laat geen ruimte voor een versoepeling van het social distancing beleid ten faveure van de economie, lijkt mij. 

Het coronavirus en ons doenvermogen

Toen het kabinet aan de Nederlandse burgers vroeg om zich vanwege het coronavirus allerlei sociale beperkingen op te leggen moest ik meteen aan de marshmallowtest denken. Een kleuter wordt achter een marshmallow gezet met de belofte dat hij er nog één bij krijgt als hij er nog even niet van snoept. Veel kinderen blijken niet te kunnen wachten. Deze test is het leidmotief van de WRR studie “weten is nog geen doen” van een paar jaar geleden.  De studie laat overtuigend zien dat veel mensen niet in staat zijn om in bepaalde situaties tot een rationele gedragslijn te komen. Hun doenvermogen schiet op dat moment tekort. Stress is een belangrijke factor die het doenvermogen doet wegzakken. Vanuit dit inzicht is het niet verwonderlijk dat veel mensen in dit stressvolle coronavirustijdperk op de eerste de beste mooie lentedag zich niet konden houden aan de sociale beperkingen die het kabinet had afgekondigd. Ze zijn allemaal bestraffend toegesproken door diverse ministers, maar heeft dat zin? Of creëert dat een wij-zij denken, met een polariserend effect waar we nog veel last van kunnen krijgen?

Als het ons voorste deel van de hersenen even niet lukt om ons rationeel gedrag op te leggen, domineert het oer-deel van onze hersenen onze gedragingen. Dat oer-deel is ingesteld op twee soorten prikkels: angst voor pijn en behoefte aan genot. Als je mensen hun genot wil onthouden, moet je hun pijnangst aanwakkeren, zou je denken. Het is daarom opvallend dat alle overheidscommunicatie rond het virus vooral bedoeld lijkt te zijn om die angst juist niet op te roepen. Lees maar eens terug hoe geruststellend de eerste berichten waren over hoe goed Nederland was voorbereid op een virusuitbraak, hoe fantastisch ons zorgstelsel was, dat we een ruime capaciteit aan IC-bedden hadden. En we worden inmiddels wel gewaarschuwd dat we een besmettingspiek moeten vermijden, maar zonder enig concreet cijfer over hoe de komende weken zich kunnen gaan ontwikkelen. Zelfs het CPB geeft op 26 maart in het langstdurende economische recessiescenario een minder diep dal voor 2020 dan in het één na zwaarste scenario, zonder dit adequaat te kunnen duiden. Geen paniek zaaien? Geruststellingen helpen vast niet om het gedrag van mensen met een beperkt doenvermogen toch de goede dingen te laten doen. Goed informeren over wat er werkelijk staat te gebeuren, ook als dat heel erg is en angst oproept, mensen gericht ondersteunen in het maken van de goede afweging, zou dat niet beter werken?

Ik ben geen psycholoog of socioloog, maar ik maak mij wel zorgen over de maatschappelijke ontwikkeling bij langdurige sociale beperkingen. Die beperkingen zullen leiden tot verveling, meer stress en minder doenvermogen. Recalcitrant gedrag, openlijk verzet, gewelddadige weerstand. De ervaring leert dat overheden in crisissituaties snel kiezen voor handhaving met de harde hand. Daar wordt de samenleving niet echt beter van. Maar het zal heel veel creativiteit vragen om het gedrag van dat deel van de burgers met een beperkt rationeel handelingsvermogen toch in goede banen te houden. Een opdracht voor ons allemaal.

Een jaar lang Coronacrisis?

Het begint zich langzaam maar zeker af te tekenen dat we misschien wel een jaar lang moeten wachten op een goed werkend vaccin tegen het coronavirus, en tot die tijd ons enorm moeten beperken in ons sociaal functioneren om continue te vermijden dat de ernstig zieken de ziekenhuizen overspoelen. Ik probeer me dat een beetje voor te stellen: een jaar lang! Hoe gaat onze samenleving dat oplossen? En hoe gaat onze economie dat overleven? Lang niet alle economische spelers hebben een buffer waarmee ze een jaar lang tegenslag kunnen overbruggen. Kan de overheid dat wel? Over die vragen moeten we de komende weken hard gaan nadenken, vrees ik. Op de artikelenpagina heb ik een eerste stapje gezet. Sombertjes wel….

Hoe lang blijft de rente nog laag?

Pensioenfondsen zuchten, huizenbezitters wrijven zich in de handen, de Staat leent zijn geld gratis. De rente is heel laag. Waarom is dat eigenlijk zo? Economen weten dat niet zeker. De meest aannemelijke verklaring is dat heel veel mensen op de wereld sparen voor hun oudedag. Dat komt door de huidige demografische opbouw in alle welvarende delen van de wereld, met veel mensen relatief kort voor hun pensionering of daar net in. Dat levert heel veel opgehoopt vermogen. Dat sparen is nogal renteonafhankelijk. Of de rente nu hoog of laag is, je wilt of je moet sparen voor je oudedag. Besparingen moeten worden geïnvesteerd. Maar veel investeringen zijn in de gedigitaliseerde diensteneconomie een stuk minder kapitaalintensief dan vroeger. Door die verschoven balans ligt de rente zo laag, en dat kan ook nog best een tijd duren, is de gedachte. Maar wat gebeurt er met de rente als deze balans een beetje gaat schuiven? Hoeveel investeringen zijn er nodig om de rente een procentpunt omhoog te stuwen? Het eerlijke antwoord uit de economische wetenschap is: we hebben geen idee. Althans, dat is het beeld dat ik heb opgedaan na een flinke poging om hier wijzer in te worden. Toch is het wel een relevante vraag. Als de mensheid nog een beetje ouder wordt gaat er weer ontspaard worden. Voor het pensioenfonds ABP is het jaarlijkse bedrag aan uitkeringen al bijna 1 miljard euro hoger dan de premie-inleg. Voor ‘jongere’ pensioenfondsen geldt nog het omgekeerde. Voor ons andere heel grote pensioenfonds PFZW bijvoorbeeld zijn de premieontvangsten nog 2 mrd hoger dan de uitkeringen, maar ook dat gaat op zeker moment schuiven natuurlijk. Belangrijker dan wat er aan de besparingenkant gebeurt is misschien wel wat er aan de investeringenkant gaat gebeuren. Ik beschreef al eerder dat in Nederland de komende decennia voor honderden miljarden moet worden geïnvesteerd in woningen, mobiliteit, de energietransitie, klimaatadaptatie en in kennis en onderwijs. Dat levert nog wel een paar jaar gespartel op over wie dat moet gaan doen en wie het moet gaan betalen, maar de noodzaak tot deze uitgaven is uiteindelijk behoorlijk dwingend. En dat geldt natuurlijk niet alleen in Nederland. Alle meer en minder welvarende landen staan voor dezelfde uitdagingen op het gebied van klimaat en digitalisering, en veel landen hebben aanzienlijke achterstanden op hun infrastructuur. Zo heeft Duitsland recent aangekondigd de komende jaren  86 mrd euro te gaan investeren in het Duitse spoor. In totaliteit levert dit de noodzaak op om geen honderden, maar vele duizenden miljarden te investeren in de komende decennia.

Gaat dat de rente in beweging brengen? Wij weten het nog niet, het lijkt me zeer de moeite waard het verder te onderzoeken, maar mij lijkt de kans best groot. Dat zou betekenen dat investeren in de komende jaren wel eens veel goedkoper zou kunnen zijn dan in het volgende decennium. Verstandig om daar rekening mee te houden…

Als je alles optelt, moeten we heel veel investeren!

Er was de afgelopen maanden veel discussie over een investeringsfonds van het Rijk. Er was veel minder discussie over welke investeringen in Nederland de komende jaren allemaal nodig zijn en gefinancierd moeten worden door of met hulp van de overheid. En dat is gek. De inhoud is toch belangrijker dan de vorm, zou ik zeggen. Er zijn wel veel belangengroepen die begerige ogen werpen op het nog niet bestaande fonds, maar ik ken nog geen inventarisatie van alle investeringen die in Nederland moeten plaatsvinden om de klimaat- en energiecrisis op te lossen, de woon crisis te lijf te gaan en het digitaliseringstijdperk actief te betreden. Ik heb op deze onderwerpen uit diverse rapporten eens wat cijfers op een rijtje gezet en toen telden de bedragen moeiteloos op tot een totaal van boven de 350 miljard euro tot 2040. Dat ging niet over investeringen die leuk zijn om te doen, maar om investeringen die nodig zijn om alle crises te bezweren (en dan noem ik de digitaliseringsachterstanden ook maar even een crisis). Bij veel van dat bedrag staat de overheid direct of indirect aan de lat voor de financiering.

Dat is best veel geld, maar niet onmogelijk veel geld. Als we aannemen dat we jaarlijks 20 mrd euro extra aan investeringen zouden doen, is dat nog maar een beperkt deel van ons nationaal spaaroverschot. Immers dat spaaroverschot (ofwel ons overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans) stond vorig jaar op 84 mrd euro. Internationaal wordt dat grote overschot al jarenlang als een knelpunt van onze economie beschouwd. De investeringen zijn nodig om het hoofd te bieden aan de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd. Maar ze kunnen ook bijdragen aan de versterking van de economische groei van ons land. In welke mate dat is hangt af van de manier waarmee ze worden gefinancierd. Als de overheid de investeringen rechtstreek uit de belastingen financiert, is het groei effect minimaal, omdat vooral de particuliere bestedingen zullen worden verdrongen. Een studie uit 2017 van de Nationale Bank van België laat dat mooi zien. Voor investeringen kun je lenen. Het is zelfs verstandig om te lenen als de baten van de investeringen pas in latere jaren vallen. Om de overheidsinvesteringen echt te laten bijdragen aan onze economische groei moeten we ze dus met obligaties financieren en niet via de belastingen. Het is dan ook pijnlijk te moeten lezen dat onze energierekening de komende jaren fors omhoog gaat omdat de netwerkbedrijven hun investeringskosten rechtstreeks gaan doorbelasten. Zo moet het dus niet!

Een paar procentpunt BBP aan schuldfinanciering jaarlijks erbij op de Rijksbegroting, is dat te doen? Tja, daar heb je niet persé een fonds voor nodig, maar je zult er de huidige spelregels wel op aan moeten passen. En bovenal, er zal een enorme uitvoerende slagkracht moeten worden georganiseerd om de benodigde investeringen in het benodigde tempo gerealiseerd te krijgen!

Op de artikelenpagina werk ik het thema wat verder uit.

De natuur kan niet komen schreeuwen op het Malieveld

Ooit heb ik geleerd dat de belangrijkste functie van de rechtstaat is om de burger te beschermen tegen de overheid. Met de uitspraak van de Raad van State over het Nederlandse stikstofbeleid zien we ook nog een andere beschermfunctie van de rechtstaat, namelijk de bescherming van natuur en milieu tegenover economische deelbelangen. We hebben het in Nederland zover laten komen dat de belangen van natuur en economie hard met elkaar in botsing zijn gekomen. Dat is best een ingewikkelde belangenstrijd. Korte termijn economie tegenover lange termijn natuur en milieu. Heel zichtbare en hoorbare belangenvertegenwoordiging van economische deelbelangen tegenover een stemloze natuur en milieu. Onze democratische rechtstaat neemt ook niet automatisch de goede afslag als het gaat om het vinden van de goede balans tussen de verschillende belangen. Kijk naar de PAS-besluitvorming in 2012/2013. Lang hebben we gedacht of gehoopt dat, hoe schaars de ruimte in Nederland ook is, we de verschillende belangen wel konden stapelen in plaats van afwegen. Maar helaas, Nederland is erg vol met 17 miljoen Nederlanders en hun economische activiteiten, zodat de Commissie Remkes terecht constateert dat “Niet alles kan”. Die constatering is natuurlijk niet nieuw. We weten het allang, al zeker sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, maar hebben er niet altijd naar gehandeld.

Wat beschermt de rechtstaat nu precies als het om natuur en milieu gaat? Gaat het alleen om een paar vlindertjes en de wensen van een paar milieuactivisten, zoals de demonstranten op het Malieveld ons graag willen laten geloven? Nee. Natuurlijk is het heel goed als we de menselijke soort niet als alleenzaligmakend benoemen tegenover alle andere levende organismes op deze planeet, maar het gaat ook om menselijke belangen zelf, om elementen van onze ‘brede welvaart’. Neem het belang van een florerende natuur. Deze verleent ons wat we noemen natuurlijke ecosysteemdiensten. Het natuurlijke ecosysteem, dat een uitgebalanceerd maar kwetsbaar geheel is van alle onderdelen van de natuur, levert niet alleen voedsel, bouwstoffen en energie, maar zuivert ook water en lucht, organiseert de bevruchting van fruitbomen en andere gewassen, is belangrijk voor onze (mentale) gezondheid, levert een belangrijke recreatieve functie, en kan ons beschermen tegen de extremen van het klimaat. In ons BBP kennen we er geen getal aan toe. Daarom is het BBP ook maar een heel beperkte maatstaf. Het betekent zeker niet dat de ecosysteemdiensten niet belangrijk zijn.

De lange termijn gezondheidseffecten komen we veel vaker tegen. Bijvoorbeeld in het recente PFAS probleem. Of het fijnstofvraagstuk. Of het geluidsoverlastvraagstuk. Voor onze lange termijn gezondheid komen we niet naar het Malieveld. Maar de onzichtbare belangenstrijd moet wel ergens in balans worden gebracht en gehouden. Daar hebben we onze rechtstaat voor!