De kwaliteit van het onderwijs gaat niet vanzelf omhoog

Op 22 april 2020 zond de minister van Financiën 16 rapporten naar de Tweede Kamer, de Brede Maatschappelijke Heroverwegingen. Rapporten waar een groot aantal  Rijksambtenaren ruim een half jaar intensief aan had gewerkt. Ikzelf mocht één van de werkgroepen voorzitten. Na publicatie is er weinig meer van vernomen. Sommige kranten vonden er nog een paar bezuinigingsopties in, en vonden dat klaarblijkelijk het belangrijkste van de rapporten. Daarmee wordt weinig recht gedaan aan de geleverde inspanningen en de thema’s die op tafel zijn gelegd. Bezuinigen was niet het primaire doel om de heroverwegingen te starten. Het doel was om beleidswegen te vinden voor ingewikkelde maatschappelijke vragen, waarvoor geen quick fixes bestaan. Ik denk dat ik de komende tijd een aantal rapporten eruit pik en mijn selectie van de belangrijkste boodschappen bespreek. Dan begin ik bij de eerste: BMH1 “Kwalitatief goed onderwijs met kansen voor iedereen”.

Als zovelen constateert BMH1 dat het niet goed gaat met de kwaliteit van het funderend (basis en middelbaar) onderwijs in Nederland. Dat is voor het land niet goed, maar het is ook heel vervelend voor al die mensen die ziel en zaligheid in hun onderwijzend werk stoppen om jongeren een mooie start in het leven te kunnen geven. BMH1 constateert  ook dat er onvoldoende op die kwaliteit wordt gestuurd. Schoolbesturen ontberen de kennis, de kunde en de prikkels om op kwaliteit te sturen en de meeste doen het dan ook niet. Schoolleiders zijn vaak onmachtig. Het departement stuurt alsof schoolleiding en schoolbesturen alle benodigde capaciteiten voor een adequate sturing in huis hebben maar helaas wel alles tot in details voorgekauwd moeten krijgen, hetgeen tot weinig resultaat, veel miscommunicatie en tot beleidsresistentie van het veld leidt. Een schokkend beeld, waarvan BMH1 ook nog meldt dat het al eerder in een veelheid van andere rapporten is beschreven, maar dat dit alles  nog niet tot enige serieuze correctie heeft geleid. Ik vind het ook heel opmerkelijk dat als ik de titel van BMH1 Googel, ik vrijwel geen hits krijg. Je zou toch een grote respons verwachten van bestuurlijke onderwijsorganisaties en van de politiek, bijvoorbeeld in de verkiezingsprogramma’s. Maar goed, Corona heeft veel andere dingen verdrongen, dat valt nog te begrijpen. Het thema is echter wel zo urgent dat op korte termijn het stelsel veel meer gericht moet worden op de effectieve sturing op kwaliteit. Misschien is het stelsel nog te fixen, en hoeft het niet helemaal op de schop. Maar het minste dat nodig is zijn stevige verplichtingen om kennis,  kunde en werkelijke acties op orde te brengen bij schoolleiders en schoolbesturen, ze daartoe ook de middelen te verschaffen en de goede prikkels in te richten zodat deze verplichtingen ook worden nagekomen. Het departement moet hier veel meer gericht leiding aan geven. Op de Artikelenpagina ga ik er dieper op in. Maar alsjeblieft, OCW,  PO-Raad en VO-raad, en alle anderen, laat zien dat je de boodschap van BMH1 serieus ter harte neemt!

En nog één dingetje voor alle schoolbesturen die dat nog niet is gelukt: zorg a.u.b. voor een goede ventilatie en een goed binnenklimaat in alle scholen dit najaar!

De Nederlandse overheid heeft deze eeuw nog niets substantieels tot stand gebracht

Al meer dan dertig jaar werk ik voor de Rijksoverheid. Met een zekere trots. Ik heb in die jaren meermaals geroepen dat het Nederlandse openbaar bestuur tot de beste van de wereld gerekend mag worden. Heel recent hoorde ik bij een webinar over publiek leiderschap ook iemand dat precies zo verwoorden. En toen ging er een pijnscheut door mijn hoofd, met de gedachte: “Het is niet meer waar! ”. En ik ging het voor mezelf opsommen. Het beeld over het openbaar bestuur kreeg al een enorme knauw met de kinderopvangtoeslagaffaire. Voor veel Nederlanders moet het ook een pijnlijke inbreuk op hun nationale trots zijn geweest toen wij wekenlang onderaan bungelden in de lijstjes over het aantal vaccinaties tegen Corona. Maar het is veel meer dan dat. Nederland bungelt ook onderaan de Europese lijstjes als het gaat om de opwekking van duurzame energie. Nederland heeft de hoogste ammoniakuitstoot van de EU. Nederland heeft een woningencrisis. Het Nederlandse onderwijs duikelt omlaag op de internationale vergelijkingen van de OESO. De sociale ongelijkheid neemt toe. Nederland heeft groot achterstallig onderhoud aan bruggen en wegen. Nederland is topproducent van synthetische drugs. Nederland zit in de NAVO qua bijdrage in de onderste helft. Het aantal gehandicapten op de werkvloer is in EU perspectief heel laag. Ja, zelfs qua pestgedrag op de werkvloer scoort Nederland als een van de laagste in de EU.  En dat raakt allemaal facetten van het openbaar bestuur. En dat behoort dus helemaal niet tot de beste van de wereld, misschien niet eens bij de beste helft van de EU. Toen ik zelf dit lijstje zo zag, en dit lijstje valt ook nog wel uit te breiden, schoot de gedachte door mij heen: “de Nederlands overheid heeft deze eeuw nog niets substantieels tot stand gebracht”. Nu houd ik zelf niet zo van dit soort sweeping statements. Dus heb ik mijn best gedaan om voorbeelden te vinden die deze stelling zouden ontkrachten. Ik heb er nog niet één bedacht. Budgetdiscipline misschien. Maar dat is toch eerder een middel dan een doel.

Leuk is deze constatering allerminst. Zeker niet als je betrokken beleidsambtenaar bij het Rijk probeert te zijn. Ik schrijf het toch op. Dat is zeker niet om een schuldige aan te wijzen. Nederland is een parlementaire democratie. Als we zien dat het openbaar bestuur al twintig jaar tekort schiet zijn we daar als burgers van Nederland allemaal medeverantwoordelijk voor. Maar de constatering geeft wel een opdracht, die heel anders is dan vanuit het beeld dat het Nederlands openbaar bestuur tot de beste van de wereld behoort. Als dat laatste onze ambitie is, is er veel werk aan de winkel. Dan moet het komende kabinet, samen met de decentrale overheden, heel hard aan de slag om de energietransitie meer vaart te geven, al het achterstallig onderhoud in infrastructuur, onderwijs, wonen en de uitvoering van de publieke dienstverlening weg te werken, knopen door te hakken in de ruimtelijke vraagstukken, Nederland duurzaam te maken en een plek te geven in de digitale toekomst. Enzovoort. Misschien is er geen dik regeerakkoord nodig deze keer, maar wel een met heel stevige acties, zodat we hopelijk in 2030 kunnen constateren dat de Nederlandse overheid in tien jaar tijd veel substantieels tot stand heeft gebracht.

p.s. Ik zou het helemaal niet erg vinden om in een volgende blog een lijstje te kunnen laten zien van substantiële zaken die bovenstaande stelling ontkrachten. Dat zou misschien zelfs heel inspirerend kunnen zijn.

Een Laffer curve voor het Coronabeleid?

In de jaren zeventig van de vorige eeuw tekende de econoom Laffer op een servetje een simpel idee uit. Hij stelde dat bij een belastingtarief van 0% de belastingopbrengst uiteraard  nul zou zijn. Maar zei hij, bij een tarief van 100% is de opbrengst ook nul, want waarom zou iemand nog iets doen als de opbrengst volledig naar de belasting gaat. Die twee punten zijn dan de uiteinde van een soort omgekeerde U. Bij lage tarieven stijgt de belastingopbrengst als het tarief omhoog gaat, maar bij heel hoge tarieven daalt de opbrengst als het tarief omhoog gaat. Een helder idee, ook al is het economen niet goed gelukt de grafiek ook in de praktijk echt te analyseren.  

Zou zo’n Laffer curve ook bestaan als het om Coronamaatregelen gaat? Je kunt je inderdaad voorstellen dat bij een heel streng regime, waarbij helemaal niets meer mag, de mensen zich tegen het systeem keren en er zich ook helemaal niets meer van aantrekken. Dan zit daarvoor een gebied waarin mensen zich bij een verscherping van het beleid zich juist minder gedisciplineerd gaan gedragen. Dat is duidelijk  de verkeerde kant van de Laffer curve, over de top waarbij het Coronabeleid neutraal is geworden, en verscherping  geen resultaat meer heeft. In zo’n model is ook de verwachting dat die top in de loop van de tijd naar links schuift. De mensen worden het hele beleid zat, het gebied waarin verscherping van beleid nog zin heeft en niet averechts gaat werken wordt smaller en smaller.

Het is natuurlijk maar een model. Of het gedrag van de samenleving zich ook echt op deze manier laat modelleren weten we niet. We weten namelijk ontzettend weinig over het gedrag van de samenleving. Het is in elk geval niet het model dat het OMT hanteert. Dat gaat er overduidelijk van uit dat bij verscherping van de maatregelen de gedragsdiscipline toeneemt en het reproductiegetal R zal dalen. Maar of dat het goede model is kunnen ze ook niet weten.

Het zou goed zijn als we meer data verzamelen over wat er in de samenleving gebeurt. We meten in deze pandemie uiterst eenzijdig. Het aantal besmettingen, het aantal patiënten in het ziekenhuis, het aantal mensen op de IC’s, het aantal mensen dat overlijdt. Als dat het enige is dat we registreren, is dat ook het enige waar we beleidsmatig op reageren. Stel nu eens dat alle scholen in Nederland iedere week zouden rapporteren hoeveel leerlingen de lessen verzuimen, en de universiteiten hoeveel studenten met hun studie zijn gestopt, en elke week de cijfers over huiselijk geweld zouden worden gemeld, en het aantal mensen dat psychisch is ingestort, zouden we dan misschien ook de beleidsmatige reactie een ander accent geven?

Uitstel 2e prik levert alleen maar vertraging op

Hoera, er zijn vaccins die ons van de Corona pandemie gaan bevrijden! Jammer alleen dat je twee keer geprikt moet worden voordat je echt bent beschermd. Met de huidige schaarste aan vaccins is het idee opgekomen om de tweede prik uit te stellen, zodat meer mensen snel een beetje beschermd kunnen worden. Ook in Nederland is de gedachte dat de tweede prik van het Pfizer vaccin wel na zes weken in plaats van de geteste en geadviseerde drie weken gezet kan worden. Dat is een beetje vreemd, omdat mensen die twijfelen over hun bereidheid om geprikt te worden juist wordt bezworen dat het vaccin veilig is en heel goed getest. Het uitstel levert ook niet op wat wordt beoogd, namelijk snel meer mensen een eerste prik kunnen geven, maar vertraagt natuurlijk wel de opbouw van het aantal mensen dat volledig beschermd is door twee prikken. Ik kon dat zelf niet zo maar overzien, en heb eenvoudige tabelletjes gemaakt om te onderzoeken hoe een en ander werkt. Wel met enige aarzeling, Nederland heeft al 10 miljoen deskundigen op corona gebied rondlopen, moet ik me er dan ook nog mee gaan bemoeien? Toch maar gedaan, omdat ik het zelf graag wilde weten. Het resultaat is te vinden op de Artikelenpagina. Vanwege de trage start van het vaccinatieproces is in Nederland al een flinke voorraad vaccins opgebouwd. Er is in die omstandigheid geen enkele reden te bedenken waarom nu nog uitstel van de tweede prik zinvol zou kunnen zijn.

Fraude

Toen ik in het eerste decennium van deze eeuw directeur Financiële Markten was op het ministerie van Financiën had ik een afdeling die zich intensief bezighield met het beleid rond het bestrijden van witwassen van zwart geld. Wij hadden Professor Unger gevraagd een onderzoek te doen naar de omvang van witwassen in Nederland. Zij kwam in 2006 tot het ruwe schatting van een schrikbarend bedrag van 18,5 miljard euro. Ik heb toen alle handhavende instanties uitgenodigd voor een gezamenlijk overleg om over deze bevindingen te spreken en te onderzoeken of zij deze bevindingen konden herkennen. Dat bleek in grote lijnen het geval. Daarbij liet een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie zich de verzuchting ontsnappen: “maar Bernard, fraude, daar doen we in Nederland niks aan”. Tot mijn verbijstering…

Na een periode als Directeur-Generaal Milieu, waar ik ook merkte hoe moeilijk het was om milieufraude serieus te bestrijden, kwam ik in 2012 als DG terecht op het ministerie van SZW. Zoals bekend trad op 5 november van dat jaar het kabinet Rutte II aan. Tot mijn vreugde toonde dat kabinet zich bereid het thema fraude serieus aan te pakken. Ik nam zitting in het ambtelijk voorportaal van de Ministeriële Commissie Fraudebestrijding en heb meegewerkt aan een samenhangend pallet aan interdepartementale activiteiten om fraude in Nederland beter aan te kunnen pakken.

Na de Tweede Kamerverkiezing van 12 september, maar voor het Kabinet Rutte II aantrad, was op 2 oktober 2012 in de Eerste Kamer het wetsvoorstel aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (de zgn. fraudewet) aangenomen, met steun van de midden- en rechtse partijen, en tegenstemmen van de linkse partijen, inclusief de PvdA. De wet voorzag in veel hogere boetes dan daarvoor golden en een verplichting om die boetes ook werkelijk op te leggen. De wet maakte geen onderscheid tussen fraude of een vergissing: altijd volgde een boete van minimaal 150 euro. Al vóór de inwerkingtreding in 2013 en zeker daarna kwamen vanuit de uitvoering van de SZW-regelingen, dus vanuit UWV, SVB en de gemeenten signalen over de disproportionele uitwerking van deze nieuwe fraudewetgeving. Hoge boetes bij kleine vergrijpen, die soms eerder vergissingen dan opzet betroffen. Ambtelijk hebben wij binnen SZW met toenmalige minister Lodewijk Asscher al snel overlegd of er ruimte was de fraudewet, een erfenis van zijn voorganger Henk Kamp waar wij ambtelijk ook weinig gelukkig mee waren, te versoepelen. Dat bleek niet het geval. Asscher wilde wel, maar hij voorzag geen ruimte bij de coalitiepartij zowel in het kabinet (waar Kamp de strengheid bewaakte) als in de Tweede Kamer om mee te denken over versoepeling van deze gloednieuwe wetgeving. Fraudebestrijding stond immers heel hoog op de politieke agenda. Daarbij is het nuttig even te memoreren hoe zoiets gaat. Elke beleidsstap, hoe klein ook, werd in de periode van het kabinet Rutte II vooraf getoetst met de coalitiepartijen in de Tweede Kamer. Dat werd noodzakelijk geacht gelet op de minimale meerderheid van stemmen van de coalitie. Deze praktijk is in de periode van Rutte III overigens ook voortgezet. Vaak tot ambtelijke frustratie, omdat zo’n overleg tussen de minister (of de politiek assistent) en de Kamerleden zich afspeelt zonder ambtelijke inbreng. De wet bleef vooralsnog dus streng.  Uiteindelijk leidden de vele klachten in november 2014 (en dat is binnen twee jaar na invoering echt razendsnel) tot een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechtsinstantie in het bestuursrecht, dat de wet disproportioneel streng was en dat de uitvoering proportioneel moest handelen. Ongeveer gelijktijdig verscheen een rapport van de Nationale Ombudsman met een vergelijkbare strekking. De uitspraak van de CRvB is bindend. SZW was dus, tot grote interne vreugde, gedwongen om te komen tot een versoepeling van de fraudewet. Zonder slag of stoot ging dat niet. De VVD-fractie in de Tweede Kamer was er maar moeilijk van te overtuigen dat de wet inderdaad versoepeld moest worden en het sanctieregime weer proportioneel moest worden gemaakt. Maar de jurist Asscher liet zich daar toen niet meer door ontmoedigen en verwierf ondanks dit verzet in juni 2016 een royale Kamermeerderheid voor de beoogde versoepeling door de Tweede Kamer.

Waarom is deze geschiedenis nu actueel? Uit het voorgaande kan niet anders dan de conclusie getrokken worden dat er in de coalitieverhoudingen van het kabinet Rutte II geen enkele ruimte was om naast de fraudewet ook nog het sanctieregime van de kinderopvangtoeslag te versoepelen. Bij de fraudewet was deze versoepeling onvermijdelijk geworden dankzij de uitspraak van de CRvB, rond de kinderopvangtoeslag (die niet onder de fraudewet valt) was de jurisprudentie ondersteunend aan het geldende sanctieregime. Het lijkt in de rapportage van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (PoK) een raadsel waarom het departement van SZW alle inzet richtte op het instrument van directe financiering in plaats van op reparatie van de disproportionaliteit van het sanctieregime van de kinderopvangtoeslag, maar zo raadselachtig is dat dus niet; intern bestond de overtuiging dat er geen politieke ruimte was om die reparatie te regelen. Het is eigenlijk merkwaardig dat dit aspect in de verhoren van de PoK niet naar voren kwam.  Dat vertelt wellicht iets over het institutionele geheugen van de Rijksdienst op dit moment. Maar het maakt ook duidelijk dat het een gemiste kans is dat de PoK de rol van de Tweede Kamer zelf niet heeft onderzocht. De politieke mores van het afstemmen van elke beleidsactiviteit met de coalitiefracties heeft in dit geval een grote rol gespeeld in hoe uiteindelijk beleidsmatig is geacteerd. Wat overigens natuurlijk allemaal de verschikkingen van de uitvoering van dit beleid niet wegneemt en het ook verschrikkelijk blijft dat dit pas zo laat is onderkend. Maar het maakt de oproep tot zelfreflectie van Lodewijk Asscher bij de aankondiging van zijn terugtreden als lijsttrekker van de PvdA wel heel begrijpelijk.

Verborgen digitaal onrust stoken in het buitenland, graag meer transparantie!

Regelmatig lezen we over Russische pogingen om via social media onrust te zaaien in het Westen. Om verkiezingen te beïnvloeden bijvoorbeeld. Recent verscheen een Amerikaans rapport waarin werd gesteld dat niet alleen de Russen zich digitaal met de Amerikaanse verkiezingen bemoeiden, maar ook de Chinezen, en nog diverse andere landen. Al die acties worden ontkend. Dat is toch een verschil tussen de fysieke wereld en de digitale wereld. Dat er beïnvloedingspogingen worden ondernomen via de media als kranten, radio en televisie is algemeen bekend. Ik heb daar eerder over geschreven (Hoe bestrijden we buitenlandse onruststokers, 2017), en daarbij ook gerefereerd aan de honderden miljoenen die het Westen spendeert via TV zenders als “Current Time” en “Deutsche Welle”, tegenover bijvoorbeeld een vermoedelijk nog aanzienlijk groter Russisch bedrag.

Maar we praten dus nu over meer stiekeme acties, via versluierde organisaties die zich op beïnvloeding van bevolkingen richten via de hedendaagse digitale mogelijkheden. De Russische overheid kan alles ontkennen, maar geloofwaardig is dat geenszins. Waar het mij nu om gaat is dat ik me niet goed kan voorstellen dat het Westen daar niets tegenover zet. Daar lezen we niets over. Maar het zou toch niet uit te leggen zijn dat we Poetin, of Xi Jinping, rustig laten stoken in onze landen zonder enige vorm van represaille? Dat we er niets over lezen is niet zo raar. Een overheid gaat natuurlijk niet een versluierde digitale campagne openbaren. Niemand vraagt er ook naar. Maar stel nu dat Westerse landen dat soort campagnes wel uitvoeren, met vergelijkbare digitale bots als Rusland en China inzetten, dan krijgen we wel een heel onevenwichtig beeld voorgeschoteld. En dat lijkt me wel een democratisch dilemma. Doen we niets, dan is dat raar, doen we wel iets, dan weten we het niet, dan wordt het ook niet democratisch gelegitimeerd, hebben we geen idee welke spelregels worden gehanteerd. Ik vind dat onbevredigend. Je zou toch wel graag een debat willen over wat we wel en niet acceptabel vinden in onze versluierde digitale relaties met andere landen. Wat doet Nederland, wat doet de EU, wat doet de VS? Het ministerie van Defensie heeft een speciale unit voor cyberaangelegenheden, het Defensie Cyber Commando. Volgens de Defensie website voert dit Commando ook offensieve acties uit. Maar welke dat zijn en wat de bijbehorende regels zijn is nooit geopenbaard, voor zover ik kan nagaan.  Dat transparantie nodig kan zijn bleek recent ook uit de activiteiten van het Land Information Manoeuvre Centre (LIMC) van het ministerie van Defensie, dat zonder mandaat op grote schaal inlichtingen verzamelde over maatschappelijke groeperingen als ‘Viruswaarheid’ of de ‘gele hesjes’.

We zien hier een fenomeen dat veel vaker voorkomt in de vergelijking tussen de ouderwetse fysieke wereld en de hedendaagse digitale wereld. In onze fysieke wereld is bijna elk gedrag gereguleerd.   Voor de digitale wereld zijn te weinig regels, en gebeurt er heel veel wat volstrekt onzichtbaar is. Grote Amerikaanse Big Tech bedrijven die zo veel mogelijk persoonlijke data opzuigen, bijvoorbeeld. Of extremistische individuen of groepen die websites en social media inzetten voor hun manipulatieve doeleinden. Het wordt tijd dat we de digitale wereld als een normaal onderdeel van onze leefwereld gaan beschouwen en dat daar regels bij horen die we allang hebben opgesteld voor onze klassieke fysieke wereld. Ook als het om een vorm van digitale oorlog gaat.

We verliezen kapitalen, maar beseffen het niet!

Ons economisch denken is gericht op kasstromen. Op de kapitaalvoorraden die de economie mogelijk maken bestaat weinig zicht. Dat besef begint door te dringen. Steeds meer economen pleiten voor economische analyses die zich richten op het begrip ‘brede welvaart’ in plaats van het kasstromen-begrip Bruto Binnenlands Product.  In de analyses van de ‘brede welvaart’ staat het denken in termen van economisch, natuurlijk, menselijk en sociaal kapitaal wel centraal. Maar dat is meer theorie dan praktijk, want wat de waarde van die kapitaalgrootheden is weten we niet of maar heel gebrekkig. Dat leidt tot economisch beleid dat soms meer schade dan goed doet.

Een voorbeeld. De laatste maanden verschijnen er veel rapporten over de afname van de biodiversiteit. Die afname is in strijd met internationale beleidsvoornemens om juist de biodiversiteit te verdedigen. Die verslechterende biodiversiteit betekent een afbrokkeling van allerlei biologische ecosystemen, en dat leidt weer tot een daling van zogenoemde ecosysteemdiensten. En dat heeft grote economische impact. Diverse internationale instituten ramen de jaarlijkse schade aan de kapitaalvoorraad natuur, die de bron is van alle ecosysteemdiensten op een bedrag in de duizenden miljarden dollars. Een ander voorbeeld: in Nederland is in diverse regio’s de grondwaterstand naar beneden gebracht om de boeren ter wille te zijn. Dat heeft geleid tot bodemdaling, verzakkende huizen, en een noodzaak tot herstel van funderingen die totaal misschien wel 80 miljard euro gaat kosten. Dat hadden de waterschappen niet voorzien…

De focus vanuit de brede welvaart op de verschillende kapitaalsoorten is dus geheel terecht. Hoe meer we er kwantitatief over te weten kunnen komen hoe beter het is. Hoe meer we het een plek kunnen geven in de beleidsvorming ook. Het geeft een heel ander beeld op het te voeren klimaatbeleid, het landbouwbeleid, het onderwijsbeleid, en meer. Impact assessments van voorgenomen beleid kunnen daarbij helpen. Op de Artikelenpagina werk ik een en ander nog wat verder uit.

KLM is geen systeembank

Ik word regelmatig gevraagd of er vergelijkingen te maken zijn tussen het redden van de banken tijdens de kredietcrisis van 2008/2009 en het steunen van bedrijven en organisaties tijdens de coronapandemie. Dat is een ingewikkelde vraag. In 2008 hadden wij een helder afwegingskader: systeembanken moesten gered worden, niet-systeembanken mochten omvallen. in de huidige crisis komen bedrijven in gevaar die een heel ander karakter hebben met ook een heel andere impact op de Nederlandse economie. Air France/KLM is zo’n bedrijf. Maar er zijn er veel meer. Denk aan de culturele sector. Welk afwegingskader hanteer je dan? Het lijkt me belangrijk om daar helder over te zijn om willekeur te vermijden. Op de artikelenpagina werk ik de vooral de afwegingen van tijdens de kredietcrisis wat verder uit.

De tweede golf van de Coronacrisis is die van de arbeidsmarkt

De Nederlandse samenleving heeft de eerste golf van de Coronacrisis doorstaan. Eenvoudig was het niet. De zorg werd overspoeld met ingewikkelde patiënten. De IC capaciteit moest in noodtempo worden uitgebreid en tekorten dreigden. Het zorgpersoneel is (te) zwaar belast en is nog aan het uithijgen. De verpleegtehuizen hebben een grote sterfte onder hun bewoners niet kunnen voorkomen. Inmiddels zijn de besmettingsgetallen fors gedaald en begint de samenleving meer en meer uit te stralen dat het wel genoeg geweest is allemaal, en dat we weer gewoon willen kunnen doen. Maar dat kan nog niet. Het virus is de wereld nog niet uit, in tegendeel, het aantal besmettingen neemt nog hand over hand toe, vooral op het Zuidelijk halfrond, maar ook in Noord Amerika. We moeten dus alert blijven, en ons blijven houden aan een aantal sociale beperkingen. Waarschijnlijk tot een werkzaam vaccin gevonden is en in voldoende mate is verspreid. De economie zal vooralsnog blijven hangen op een 90% economie.

Onvermijdelijk komt er nu een tweede golf op ons af, die van massale werkloosheid. Dat begint bij de jongeren. Veel schoolverlaters  zullen na de zomer geen werk kunnen vinden. Dat de jeugdwerkloosheid oploopt tot rond de 20% is niet onwaarschijnlijk. Veel (flex)werkers profiteren nu nog van de steunmaatregelen die het kabinet heeft genomen om baanbehoud te borgen. Maar de steunpakketten kunnen niet oneindig doorgaan. Ook het CPB verwacht dat dit najaar bedrijven personeel zullen moeten laten gaan om te kunnen overleven. Faillissementen zullen stijgen in aantal. Ook vast personeel moet vrezen voor hun baan. Kwetsbare mensen met een beperking worden weer in een uitkering geduwd. Als de minder gunstige scenario’s van het CPB bewaarheid worden stijgt de werkloosheid tot boven de 10%, terwijl veel mensen zich dan al zonder hoop van de arbeidsmarkt hebben teruggetrokken en de arbeidsmigranten naar hun thuisland zijn teruggekeerd. Het is onvermijdelijk. In de recessie waarin we zijn beland heeft het weinig zin om mensen langdurig vast te houden in een baan als er geen werk is. Voor sommige banen zal het ook heel lang duren voordat dat oude werk er weer is. Daar kan beter niemand op wachten.

Het klinkt allemaal heel somber, en leuk is het ook niet. Het is wel belangrijk te beseffen dat dit op ons afkomt. En dat het onverstandig is om thuis op de bank te gaan wachten tot het werk dat je deed weer terugkomt, of tot de economie weer zo gegroeid is dat er vanzelf weer nieuwe banen komen. Het is ook verstandig om vooruit te kijken. Na de recessie komt herstel, en in dat herstel komen de problemen van de Nederlandse arbeidsmarkt weer even hard terug. Een lage arbeidsproductiviteit, een vaardighedenniveau dat niet aansluit bij het digitale tijdperk, schaarste in veel sectoren waar de groei vandaan zou moeten komen. En dit alles betekent dat we vanaf nu heel hard aan de slag moeten met een superactief arbeidsmarktbeleid. Dat lijkt een beetje op de eerste Coronagolf. Op zoek naar capaciteit om de golf te kunnen beheersen en af te vlakken. In dit geval zijn er heel veel mensen nodig die de begeleiding kunnen doen van de jongeren die van school afkomen en aan het werk zouden willen, van werknemers die in de ww dreigen te komen, van flexwerkers en zzp’ers die zonder werk komen en al snel de bijstand in dreigen te schieten. Al die mensen moet het perspectief geboden worden dat ze welkom zijn op de arbeidsmarkt, maar nu nog even niet of niet op de plek die ze zelf hadden bedacht. Dat is voor hun zelf belangrijk, maar dat is vooral voor onze economie belangrijk. Die moet deze tweede golf ook doorstaan op een zo goed mogelijke manier. Die moet nu klaargemaakt worden voor de toekomst na de coronarecessie. Op microniveau weten we dat bedrijven die tijdens een recessie doorgaan met investeren na de recessie het succesvolst zijn. Op macroniveau geldt dat niet anders. We moeten dus juist nu veel in mensen investeren.  In mensen met veel capaciteiten, maar ook in mensen met minder capaciteiten, om een inclusieve samenleving te borgen. Sommige mensen kunnen begeleid worden naar een andere baan, van de horeca bijvoorbeeld naar de zorg. Voor mensen met een beperking moeten banen gemaakt worden. Anderen moeten vooral een scholingstraject in, extra geschoold, omgeschoold of bijgeschoold. Soms in een leslokaal, maar vaak juist in een praktijkleersituatie.

Wat voor mensen zijn ervoor nodig om dit allemaal in goede banen te leiden? Ik denk alle mensen met ervaring met re-integratie bij gemeenten en UWV die maar beschikbaar zijn . En dat is lang niet genoeg. Dus ook alle werkbegeleiders van de uitzendbureaus die maar beschikbaar zijn. En heel veel docenten en praktijkleraren. Er is ook geld nodig. Re-integratiemiddelen bij gemeenten, die al jaren op een te laag niveau liggen. Idem bij het UWV, waar een aantal jaren geleden heel veel is weggesneden. Een derde noodpakket dat zich richt op scholing is essentieel. Scholingsvouchers kunnen daarbij helpen. Daarmee wordt structureel goed gemaakt dat Nederland veel te weinig inzet pleegt op Leven Lang Leren. Menskracht en geld ook effectief bundelen, en niet iedereen in zijn eigen zuil of koker een eigen wieltje laten uitvinden. Ik benoem het staccato, maar de actie die benoemd wordt is immens. Dat lijkt op de enorme inspanning die de zorgsector moest leveren tijdens de eerste golf. Die golf zag bijna niemand aankomen. Dat kunnen we van de tweede golf niet zeggen. Als we morgen beginnen met de voorbereiding, hebben we daar jarenlang enorm plezier van. En hebben we de samenleving gered van wanhoop en veel ellende, en de Nederlandse economie kracht gegeven voor een voorspoedig herstel.

Zorgvuldig kiezen in het ruimtelijk domein

Het ruimtelijk beleid staat in Nederland weer helemaal op de agenda, nadat het er decennia lang van af was gevallen. De stikstof- en natuurcrisis, de woningbouwcrisis, de klimaatcrisis: drie urgente problemen hebben laten zien dat we het  fysieke en ruimtelijke domein schromelijk hebben verwaarloosd.  Ze laten ook zien dat er op korte termijn fundamentele keuzes gemaakt moeten worden. De denktank DenkWerk, waar ik deel van uit maak, heeft in het rapport `Klein land, grote keuzes` aangetoond hoe schaars de Nederlandse ruimte is als we kijken naar de huidige ambities in het fysieke domein. Schaarste vraagt om heldere keuzes. Het DenkWerk rapport was een steen in de vijver, en dan is het altijd interessant om te kijken welke rimpelingen die steen oproept. Dan vallen een paar dingen op: de verkokering, de emoties en de schaarse kennis. Maar rimpelingen hebben hun toppen en hun dalen, er is door velen heel positief op het rapport gereageerd.

Allereerst de verkokering. Bijna geen enkele reactie ging in op het centrale thema van het DenkWerk rapport, namelijk dat er een integrale afweging moet komen tussen de ambities op het gebied van wonen, duurzame energie, mobiliteit, landschap, natuur en de economie, waaronder vooral de landbouw. En dat die afweging nu gemaakt moet worden.  Uitzondering daarop vormt de NOVI brief van 23 april jl. van de minister van BZK, die wel nadrukkelijk de integraliteit opzoekt, maar hem in het gepresenteerde tijdschema ook meteen weer demonteert. Er komen volgens deze brief in de tijd opeenvolgende trajecten voor wonen (zomer 2020), het landelijk gebied (eind 2020 een concept) en de energiestrategie (eind 2021 een concept).  Daar zou je een prioritering in kunnen lezen dat ruimte voor wonen boven ruimte voor zon en wind gaat, maar dat is geloof ik niet de bedoeling. Andere reacties op DenkWerk waren erg sectoraal gericht. Elke sector heeft in Nederland duidelijk zijn eigen wereldje, en dat zie je terug in de reacties. Vooral de woonsector was erg vocaal.  Het thema dat zon en wind heel veel ruimte kosten werd nauwelijks opgepakt. Het woonthema dus wel. Over binnenstedelijk bouwen versus bouwen in het landelijk gebied, bijvoorbeeld. Met veel emotie. DenkWerk werd nostalgie verweten, of heulen met de projectontwikkelaars, er werd met afschuw gerefereerd aan de ”ideologie” van de Vinex wijken, en schande gesproken van de mogelijke inbreuk op het Groene Hart. Naar mijn indruk werden vaak standpunten verdedigd vanuit demografische beelden van tien, twintig jaar geleden, die niet de verwachte groei laten zien die in de meest recente cijfers van het CBS zit, en los van de andere ruimtevragers van de huidige tijd. Dat laatste raakt aan het thema schaarse kennis. De integraliteit van het fysieke en ruimtelijk domein is zo groot dat het moeilijk is voldoende kennis naast elkaar te leggen om de benodigde afweging te kunnen maken. Niet zelden leidt het gebrek aan integrale kennis tot pleidooien voor een partiële oplossing van een onderdeel van het ruimtelijke of energievraagstuk. Gelukkig hebben we daar een Planbureau voor de Leefomgeving voor, die veel mooie en toegankelijke analyses publiceert. Maar zelfs het PBL slaat de plank nog wel eens mis. Op de Artikelenpagina ga ik in op de notitie “Binnenstedelijke appartementen of suburbane eengezinswoningen?” waarmee PBL medewerkers reageren op het DenkWerk rapport, met een ondeugdelijke statistische analyse en daarmee met ondeugdelijke conclusies. Zo wordt het kennisdebat niet verder geholpen.

Het is dus moeilijk en nodig. De sectorale werelden bij elkaar brengen, kennis vergaren, delen en vooral transparant maken, en zorgvuldig kiezen. Keuzes maken betekent ook pijn uitdelen. Emoties zijn onvermijdelijk. Bijvoorbeeld zal de landbouwsector qua ruimtelijk beslag een stap terug moeten doen. Dat is niet fijn, maar het is belangrijk daar eerlijk over te zijn en al zo vroeg mogelijk duidelijk te maken dat die pijn er aan komt.