Hoe kunnen we het overheidsbeleid versnellen in dit digitale tijdperk?

Tien jaar geleden sprak bijna niemand over robots. Tegenwoordig kun je geen krant opslaan of er staat iets over robots in. Tien jaar geleden kenden alleen een paar insiders de betekenis van het begrip circulaire economie. Tegenwoordig praat elke ondernemer er over. Zo snel kan het gaan. Zo gaat dat met een exponentiële ontwikkeling. Lang blijft de ontwikkeling onopgemerkt, en in één keer wordt hij groot en zie je ook de enorme groei. Onze samenleving raakt ingebed in een nieuw digitaal ecosysteem. Onze economie moet rekening gaan houden met de uitputting van ons natuurlijk ecosysteem. Geeft de overheid voldoende richting aan die bewegingen? Veel betrokkenen klagen dat dat niet het geval is. Dat ze niet kunnen acteren omdat ze geen inzicht hebben in wat mag en niet mag, of omdat noodzakelijke dingen niet mogen omdat ze in de oude wereld ooit verboden werden. Anderen voelen zich bedreigd omdat ze zich onbeschermd voelen door grote krachten die voortspruiten uit het digitale tijdperk. Bijvoorbeeld omdat ze niet weten welke persoonlijke data van hen worden verzameld, verhandeld en ingezet. Of omdat ze niet weten wat de robot van de toekomst wel en niet kan en mag doen in de interactie met mensen. De overheid acteert te traag, is een veelgehoorde klacht. De vraag is dan: hoe kan het overheidsbeleid versnellen? Welke veranderingen in het proces van wet- en regelgeving, of van politiek-democratische besluitvorming zouden kunnen helpen om snelheid en focus te ontwikkelen op de maatschappelijke ontwikkelingen van dit moment, zodat er richting gegeven kan worden aan die ontwikkelingen vanuit een maatschappelijk doel van welbevinden, en niet vanuit een (economisch) deelbelang? Ik kan er een paar verzinnen. De meest gangbare is om meer experimenteerruimte te creëren in de wet- en regelgeving. Met gerichte en goed begeleide experimenten kan kennis worden opgedaan die helpt bij het opstellen van grootschaliger regelgeving. Het nadeel van deze methodiek is dat dergelijke experimenten pas laat tot bewezen kennis leiden en dus voor een snel optreden minder geschikt zijn. Een andere verandering zou kunnen zijn dat lopende een kabinetsperiode al intensief de volgende periode wordt voorbereid. Dan hoeft bij een kabinetsformatie niet een heel programma nog ontworpen te worden, maar kunnen integrale keuzes gemaakt worden vanuit een palet aan voorstellen die gericht zijn op de grote maatschappelijke ontwikkelingen en deskundig door divers samengestelde groepen zijn voorbereid. Een iets radicaler idee is om het proces van democratie en wetgeving om te draaien. Nu duurt het vaak jaren voordat een politiek-democratisch proces is doorlopen en iets tot wet kan worden verheven. Misschien kan het andersom. Eerst met betrokken experts een wet maken en van kracht laten worden, en dan het politiek-democratische proces om die wet te bestendigen of te verwerpen. Natuurlijk zitten daar haken en ogen aan. Misschien zijn er nog veel slimmere dingen te verzinnen. Maar alles bij het oude te laten lijkt geen optie. Dan hobbelt de overheid zichzelf naar een onmondige zijlijn. Dus misschien moeten we een voorbeeld nemen aan de gebeurtenissen van een eeuw geleden. Toen het algemeen kiesrecht werd ingevoerd. Toen bijvoorbeeld het ministerie van Sociale Zaken en het ministerie van Onderwijs werden gegrondvest. Radicale veranderingen in een woelige tijd. Sommige tijden vragen daarom.

Op de artikelenpagina werk ik deze gedachten iets verder uit.

Hoe moeten we nu verder met de globalisering?

We leven in een onzekere wereld. Veel mensen zuchten daaronder, en zien de globalisering als één van de boosdoeners. Sommigen kiezen voor de weg terug. Een kleine meerderheid van de Britten bijvoorbeeld, toen ze voor de Brexit stemden. Of president Trump, die terug wil naar de tijd dat de VS alles domineerde. Of de nationalistische politici op het Europese continent, die naar believen buitenlandse invloed willen kunnen buitensluiten. Maar de weg terug bestaat niet. In tegendeel, de globalisering zet geheel op eigen kracht door. De wereld wordt steeds meer één systeem. Dankzij de moderne digitale technologieën en communicatiemogelijkheden. Een land alleen beslist dus nog maar in beperkte mate over zijn eigen toekomst. Veel hangt er van af hoe het wereldstelsel zich ontwikkelt. Ook het Westen als geheel bepaalt de toekomst niet meer. Azië gaat een belangrijke rol op zich nemen. Ons stelsel van overheden is daar echter (nog) niet op gebouwd. Er is geen overheid voor het wereldstelsel. Voor de komende tijd blijven we aangewezen op een systeem van internationale afspraken en verdragen. Die kunnen alleen goed werken als we daar gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor nemen, en de betekenis ervan willen uitdragen. In dat licht bezien is de huidige koers van de Amerikaanse president Trump “Make America great again” onzinnig vanuit de huidige trend bezien, schadelijk voor het stelsel van internationale afspraken, en een open uitnodiging aan de Aziatische staten om de internationale spelregels om te buigen.

Op de pagina Artikelen heb ik een uitwerking van deze thema’s geplaatst.

De moeizame weg van Rwanda uit de armoede

Veel Afrikaanse landen zijn arm en hebben een enorm overschot aan jonge arbeidskrachten, waar eigenlijk geen werk voor is. In de landbouw zijn ze niet meer nodig, in de zich traag opbouwende  industrie- en dienstensector is nog te weinig werk, en de vraag is of dat in de gedigitaliseerde toekomst ooit voldoende gaat worden. Ik mocht vorige maand een week door Rwanda trekken en dit vraagstuk met eigen ogen aanschouwen. Rwanda is een klein arm land in het midden van Afrika, waarvan de economie nog extreem op de kleinschalige landbouw is gebaseerd. Het land probeert een diensteneconomie op te bouwen, maar veel verder dan een aantal kantoorgebouwen in de hoofdstad Kigali is dat nog niet gekomen. En is het überhaupt mogelijk, om de industriële fase over te slaan in de economische ontwikkeling? Voor Rwanda zijn dit acute vragen, want na een periode van gematigde economische groei dreigt het land vast te lopen in de eigen armoede. Het land krijgt veel buitenlandse hulp, maar die hulp biedt nog geen antwoord op deze vragen. Het is niet onbelangrijk dat de goede antwoorden worden gevonden. Dat geldt voor Rwanda, dat geldt voor veel andere Afrikaanse landen evenzeer. Het geldt ook voor Europa, dat niet gebaat is bij een instabiel aanliggend continent.

Op de artikelenpagina vertel ik meer over Rwanda en zijn macro-economische vraagstuk.

Nederland is een Insiderland

Elk land heeft zijn insiders en zijn outsiders. Nederland doet het prima voor zijn insiders, soms ook wel de gewone hardwerkende Nederlander genoemd. Maar in Nederland zijn de outsiders wel echt out! In internationale vergelijkingen scoort Nederland heel slecht als het gaat over banen voor mensen met een beperking, om kansen voor oudere werklozen, om pestgedrag op de werkvloer, om discriminatie van mensen met een migratieachtergrond. Heel slecht is ook echt heel slecht, het laagst of vrijwel het laagst van de Europese Unie. Mijn vorige bericht gaf daar al een voorbeeld van. En de laaggeletterde Nederlander (daar zijn er ongeveer 2 miljoen van) die wat hobbelt langs een reeks van flexbanen voelt zich er ook niet echt bij horen.

Vanuit dit beeld is het logisch dat veel insiders bang zijn om outsider te worden! Ik vind het begrip “fear of falling” van de middengroepen erg aansprekend. De grote dynamiek in de wereldeconomie, vanuit globalisering en digitalisering, die macro veel goed doet, maar micro heel bedreigend kan zijn, voedt die angst, die versterkt wordt door het beeld van de outsider die echt out is. Angst is geen goede voedingsbodem voor een beleid dat de outsiders meer naar binnen haalt. Dus een meer inclusieve samenleving begint bij het verkleinen van die angst. Vervolgens is het mogelijk om concrete doelen te stellen aan de hand van die akelig uitpakkende internationale vergelijkingen. We zouden toch weg moeten willen komen van die bodemposities. Andere landen kunnen dat ook!

Op de Artikelenpagina werk ik het uit.

Voor iedereen werk?

Prachtig nieuws! De economische groei komt dit jaar boven de 3% uit. De werkloosheid daalt als nooit tevoren! Iedereen blij?

Misschien is het nuttig twee grafieken te laten zien die aangeven dat onderliggend het beeld op de arbeidsmarkt nog niet klopt. De eerste grafiek geeft de arbeidsparticipatie weer van verschillende groepen op de arbeidsmarkt. Voor de groepen die in de drie onderste lijnen zijn weergegeven, de niet-westerse migranten, de laag-opgeleiden en de mensen met een arbeidsbeperking is er nog een wereld te winnen.

Kijk ook naar de tweede grafiek, die onze positie laat zien in Europa. Is dat niet raar, zo laag, nog onder Roemenië en Hongarije?

 

Daar hoef ik verder niets aan toe te lichten, lijkt me.

Investeren in jezelf als je veertig bent

Loopbanen van een leven lang bij hetzelfde bedrijf bestaan bijna niet meer. Globalisering en digitalisering dwingen bedrijven snel aan te passen. Beroepskennis veroudert steeds sneller.  Werknemers moeten dus ook flexibel zijn en rekening houden met grote veranderingen in hun werk en hun werkkring. Terwijl we wel steeds langer moeten werken, omdat de pensioenleeftijd opschuift. Het is dus belangrijk om tijdens ons werkzame leven te blijven investeren in onszelf. De overheid heeft al verschillende pogingen gedaan om dat te stimuleren, vooral met een fiscale prikkel. Bijvoorbeeld met verlofsparen, of met de levensloopregeling. Niet heel erg succesvol. Vanuit de gedragswetenschappen weten we inmiddels dat er meer nodig is om het gedrag van mensen echt te veranderen dan alleen maar een financiële prikkel. Je moet mensen motiveren met het goede verhaal, je moet een kopgroep creëren, je moet de infrastructuur op orde brengen en nog een paar dingen die horen bij een integrale aanpak van gedragsverandering. Deze tijd vraagt eigenlijk best om zo’n integrale aanpak.

Op de artikelenpagina werk ik dit thema nog wat verder uit.

Hoe bestrijden we buitenlandse onruststokers?

Het is in dit digitale tijdperk veel gemakkelijker om onrust te zaaien dan om rust en zekerheid te verspreiden. Dat hebben de dictators van deze wereld heel goed door. Of ze nu Poetin, Erdogan of Trump heten, alle moderne media worden ingezet om angst en onzekerheid te creëren en tegelijk uit te stralen dat hun krachtige leiderschap het enige is dat redding uit de ellende kan brengen. Ten koste van de democratische rechtsstaat waarin ze opereren. En ook andere democratieën moeten blijkbaar ontregeld worden. Dat zou je in elk geval kunnen aflezen aan de internet- en media-inspanningen van bijvoorbeeld het regime van Poetin. Fake nieuws, hacken, verdachtmakingen, alleen al aan de Russische nieuwsverspreiding in het buitenland wordt meer dan 1 miljard dollar per jaar besteed. Maar ook Trump heeft zich al herhaaldelijk destructief uitgelaten over de Europese Unie. Wat doen we hier eigenlijk tegen? Weinig is mijn indruk, te weinig. Wat zouden we meer kunnen doen? Allereerst kunnen we de kwaliteit van het internationale nieuws proberen hoog te houden, fake nieuws ontmaskeren, en betrouwbaar nieuws internationaal verspreiden, ook in het Russisch en het Turks. Verder kunnen we proberen de internationale dialoog te verbeteren en transparanter te krijgen. Daarin moeten we dan wel voor onze westerse waarden van de democratische rechtsstaat durven staan , maar ook de andere partijen de ruimte geven hun bezwaren tegen ons stelsel open en bloot te ventileren. Transparantie maakt dictators kwetsbaar. Misschien is het belangrijkste nog wel de weerbaarheid in onze samenleving te vergroten. Betrek zoveel mogelijk burgers bij het vergroten van het inzicht in wat waar en fake is, en wat de waarde is van de samenleving die we in Europa hebben opgebouwd. De overheid en de politiek  hebben hierin zeker een rol, maar ook alle andere maatschappelijke organisaties kunnen een deel van het werk oppakken. Het goede verhaal gaan bedenken en het gaan vertellen.

Op de artikelenpagina heb ik een stuk geplaatst dat hier wat uitgebreider op in gaat. Dat is een begin, geïnspireerd door de gedachte dat we niet passief kunnen blijven. Maar ik heb niet de pretentie dat ik het verhaal al helemaal rond heb. Lees zelf maar, en denk mee!

We moeten onze publieke systemen opnieuw aansluiten!

Waarom moet ons onderwijsstelsel op de schop? Of onze energiehuishouding? Of ons sociale zekerheidsstelsel of ons pensioenstelsel? Niet vanwege veranderde politieke of ideologische voorkeuren.  Maar omdat die stelsels niet meer aansluiten op de samenleving van vandaag! Het is een probleem van veel van onze publieke systemen. Ze zijn moeilijk aan te passen, en dat gebeurt dan ook vaak heel traag, of helemaal niet. Terwijl de samenleving in hoog tempo is veranderd en nog steeds verandert. Het openbaar bestuur is zo’n publiek systeem dat inmiddels slecht aansluit bij de regiovorming die je in heel veel beleidsterreinen tegenkomt. Het onderwijs als publiek systeem sluit niet goed aan bij onze gedigitaliseerde samenleving. De sociale zekerheid mist de aansluiting met het flexibele deel van de arbeidsmarkt. Dat is best een probleem. Want als de publieke systemen door een slechte aansluiting niet meer doen wat ze moeten doen verliezen ze gemakkelijk hun maatschappelijk draagvlak. Sterker nog, het draagvlak voor de politiek en het openbaar bestuur, als hoeders van de publieke systemen, komt op een hellend vlak. Het is dus de moeite waard om alle aansluitingen van de publieke systemen eens systematisch langs te lopen. Misschien is daar nu ook beleidsmatige ruimte voor, nu bezuinigen niet meer de eerste prioriteit is. Op de artikelenpagina werk ik dit verder uit.

Spijt!

Er gebeuren in Amerika allerlei interessante dingen. Maar de onderstaande grafiek zou iedereen die binnenkort moet stemmen, en ook iedereen die binnenkort gekozen hoopt te worden, goed tot zich door moeten laten dringen. Kijk hoe de voor en tegens over Obamacare zich ontwikkelen sinds de verkiezing van Trump tot president. Obamacare was het grote thema waarmee de Republikeinen oppositie voerden tegen het beleid van president Obama. Het was ook één van de grote thema’s waarmee Trump zijn campagne voerde, en met succes. Maar de kiezers geloven er niet meer in. Spijt!

Zij maken zich nu zorgen over de afschaffing van hun zorgverzekeringsstelsel, waarvan de gewone Amerikaan inmiddels steeds meer beseft dat het ook hem beschermt. Waarom is dit nu voor kiezers van belang? Zij kunnen hieruit leren dat je niet alleen maar ergens tégen  moet zijn, maar je ook ergens vóór moet zijn. In Nederland hebben we daar een mooi gezegde over: gooi geen oude schoenen weg voordat je nieuwe hebt. Let daar dus op: of mensen die gekozen willen worden het alleen over “oude schoenen” hebben, en/of dat ze ook aangeven welke “nieuwe schoenen” ze te bieden hebben.

Een eigen munt is ook niet altijd feest

Er zijn mensen die denken dat we in Europa beter terug kunnen gaan naar de situatie dat elk land zijn eigen munt heeft. Ze hebben genoeg van alle rampverhalen over de euro. De te lage rente, de spanningen rond Griekenland, al het andere Europese gedoe…? Met een eigen munt ben je lekker weer eigen baas, lijkt de gedachte te zijn. Maar dat is helemaal niet waar! Een eigen munt is geen plezier, maar een enorme verantwoordelijkheid. De munt moet stabiel blijven, maar er is altijd discussie over wat het goede niveau is, de rente moet daarop worden aangepast en ook daarover heeft iedereen een eigen mening. Het wisselkoersbeleid leidt al gauw tot onenigheid tussen landen. Monetaire discipline is voor een open economie als die van Nederland een absolute vereiste. Met een beetje populisme heb je al gauw de kwaliteit van een Griekse drachme te pakken. Iedereen die terug naar de gulden wil zou zich daarom moeten verdiepen in de monetaire geschiedenis van onze munt. De keuze voor de koppeling aan de Dmark gaf ons weinig beleidsvrijheid, en zelfs die keuze kwam regelmatig onder druk te staan in het geweld van de spanningen tussen de grote valuta’s. Misschien lijkt dat overdreven. Zo veel zorgen maken we ons niet over de huidige wisselkoersschommelingen tussen de euro en de Amerikaanse dollar. Maar dan is het goed te bedenken dat het grootste deel van onze handel met de andere Europese landen is, en niet met de VS. En hoe fijn zouden we het vinden als -net als nu voor de Britten- onze vakantie in Frankrijk in één keer twintig procent duurder zou zijn? Eigenlijk mogen we best blij zijn met de euro.

Om een beetje gevoel te krijgen voor het tijdperk van eigen munten heb ik op de artikelenpagina een beschrijving geplaatst van één van de laatste grote valutacrises voordat de euro werd gelanceerd: de crisis van de zomer van 1993. Dat is tegelijk bedoeld als een hommage aan twee mannen die hun bijdrage hebben geleverd aan de monetaire stabiliteit van de periode vóór de EMU, André Szász en Hans Tietmeyer, die beide rond de afgelopen jaarwisseling zijn overleden.