Globalisering vereist meer overheid


Als je ziet dat gewone mensen niet profiteren van de economische groei, en dat gewone medicijnen plotseling niet meer leverbaar zijn, of dat Facebook van jouw data een miljardenbedrijf heeft gemaakt, en dat het milieu- en klimaatprobleem maar heel aarzelend wordt aangepakt, denk je toch al gauw dat het kapitalistische systeem niet meer werkt. Het is allemaal de schuld van het neoliberalisme, hoor je steeds vaker. Veel van dit soort uitingen zijn niet erg oplossingsgericht. Maar dat er vandaag de dag maatschappelijke problemen zijn die urgent een oplossing vragen is wel duidelijk. Wie zit er eigenlijk aan het stuur van de economisch-maatschappelijke ontwikkelingen? Hebben we zelf nog iets te vertellen, of worden we beheerst door een paar grote multinationals?

)We kennen in Nederland geen ongebreideld kapitalisme. Er is eerder een sturingsdriehoek, met een balans tussen de marktkrachten, de overheidsregulering en de sociale sturing. Die laatste component onderschatten we vaak, maar is wel degelijk van grote betekenis. Soms wordt het gemeenschapszin genoemd, of het sociaal contract, of het poldergevoel. (ik heb het eerder wel het menselijk sentiment genoemd) Het gaat om het gevoel bij elkaar te horen, elkaar iets te gunnen, de kwetsbaren niet wegduwen, de mens centraal houden.  De sturingsdriehoek is door de grote bewegingen van globalisering, digitalisering en klimaatverandering op sommige terreinen uit balans geraakt. Bijvoorbeeld als de marktkracht van een multinational onevenredig is gegroeid, of de sociale sturing is afgebrokkeld, of de overheidsregulering zijn effectiviteit is kwijtgeraakt. Die onbalans is op zich niet dramatisch, dat hoort bij verandering, maar moet niet worden genegeerd. Dus als het gaat om de beloning voor arbeid, of de medicijnenmarkt, of de markt van persoonsgegevens, is het nodig te onderzoeken of de balans inderdaad is verstoord en hoe die kan worden hersteld. Vaak zal die analyse uitwijzen dat we vooral de balans tussen markt en overheid moeten wijzigen, met een grotere rol voor de overheid. Dat klinkt ideologisch, maar is eigenlijk vooral analytisch en praktisch. De keuzes van het verleden tussen markt of overheid zijn niet heilig, lijkt me.

Op de artikelenpagina werk ik het verder uit.

Beleid zonder getallen, daar koop je eigenlijk niks voor

Een tijdje geleden heb ik de ontwerp Nationale Omgevingsvisie gelezen. De NOVI. Hij was in augustus ter inzage gelegd en alle burgers van Nederland konden er tot eind september hun zienswijze op formuleren. Die zienswijzen moeten het ministerie van BZK helpen bij het formuleren van de definitieve versie. Ik was er bij toeval op gestuit, u hebt hem waarschijnlijk gemist, de media hebben de NOVI totaal genegeerd. Dat is raar, want de NOVI is straks een belangrijk beleidsinstrument voor het Rijk in de formulering van de (grotendeels gedecentraliseerde) ruimtelijke ordening. Hij vervangt de instrumenten van de afgelopen zestig jaar: de nota’s Ruimtelijke ordening, de Planologische Kernbeslissingen, de nota Ruimte. Het is een verbazingwekkend document, verbazingwekkend in zijn gebrek aan concreetheid. De NOVI bevat denkrichtingen voor de ruimtelijke ordening tot 2050, maar vrijwel geen enkel getal, en biedt geen enkel zicht op de benodigde oplossingen van de problemen waar Nederland nu voor staat: de woningnood, het stikstofprobleem, het fileprobleem, de binnenstedelijke verstopping van het verkeer, en alle klimaat- en milieuvraagstukken. Dat is toch best vreemd, voor een tekst van honderden bladzijden waaraan door een veelheid van departementen is gewerkt.

Geen enkel getal, dat ben ik de laatste tijd vaker tegen gekomen. Bijvoorbeeld vorig jaar september in de brief aan de Kamer over Leven lang ontwikkelen (LLO) van de ministers van SZW en OCW. Daarin wordt beschreven wat het belang is van LLO, en wat er -met mondjesmaat= aan geld beschikbaar is gesteld. Maar geen woord, geen enkele analyse, geen enkel getal over wat er nodig is aan LLO inzet om de arbeidsmarkt goed te kunnen laten functioneren. Dat het ook anders kan wordt gedemonstreerd in het DenkWerk rapport ‘Arbeidsmarkt in Transitie’ (2018). Dat rapport laat ook nogal duidelijk zien dat de huidige inzet schromelijk tekort schiet. Er staan ook weinig concrete getallen in de Prinsjesdagstukken van vorige maand. Er wordt aangegeven wat het kabinet aan extra middelen inzet voor de woningbouw, maar op geen enkele manier wordt aangeduid wat er nodig is aan inzet om de beoogde doelen in de woningbouw te bereiken. En de middelen die beschikbaar worden gesteld om de ondermijning en de drugscriminaliteit te bestrijden worden nergens geconfronteerd met wat je er mee kunt bereiken, en de vraag of extra inzet van middelen op een mislukt beleid van de afgelopen dertig jaar tot voldoende resultaat zal leiden wordt niet gesteld, laat staan beantwoord.

Zo kan ik nog een flinke tijd doorgaan. Beleid wordt heel vaak geformuleerd in mooie woorden, maar niet gekwantificeerd in termen van concrete doelen en de benodigde inzet die tot die doelen moet leiden. Het enige dat wordt vastgelegd is het beschikbare budget. Doelen stellen is in de politieke cultuur van vandaag gevaarlijk, want daar kun je op afgerekend worden. De inzet specificeren is lastig, want dan moet je kiezen voor instrumenten die bewezen hebben te werken, en wordt de ruimte voor partijpolitieke ideetjes beperkt. Maar het gevolg van het niet willen kwantificeren is wel dat we een stikstofprobleem hebben, en een woningtekort, een lerarentekort, een fileprobleem. En we geen idee hebben of het fileprobleem in Nederland wordt verminderd, of de ondermijning wordt gekeerd, of de ruimtelijke inrichting de echte knelpunten gaat oplossen en of het arbeidsmarktaanbod de komende jaren over de skills beschikt die nodig zijn.

Geen idee, dat is wel jammer, en eigenlijk ook wel heel raar. Onbegrijpelijk, eigenlijk. Misschien wel een mooi thema voor een dialoog tussen kabinet en parlement.

Vertrouwen herstellen met 21e-eeuwse visie en slagkracht

We hebben bijna het beste pensioenstelsel van de wereld, maar na meer dan tien jaar discussiëren over noodzakelijke aanpassingen vertrouwt niemand in Nederland er meer op. We hebben een super ambitieuze klimaatdoelstelling voor 2040 en 2050, maar na de recente chaos omtrent het klimaatakkoord gelooft niemand meer dat we op koers liggen om die doelen ook echt te halen. We praten al twintig jaar over “leven lang leren”, maar we zien er in het dagelijks leven niets van terug.

Is het dan een wonder dat de burger er geen vertrouwen meer in heeft dat de overheid in staat is de vraagstukken van deze tijd adequaat aan te pakken? Nee, dat is geen wonder, maar zorgelijk is het wel. Want een burger die zich afkeert van de huidige overheid kiest wellicht voor anti-establishment verhalen, kiest voor gele hesjes, voor een Brexit of een zogenaamde sterke man. Waar de politiek verantwoordelijken worstelen met de verkeerde vraagstukken en geen visie kunnen neerzetten over de ontwikkeling van het maatschappelijk welbevinden in deze eeuw, hebben de populisten juist wel een krachtig verhaal over hoe zij de toekomst zien: eigen land eerst, vreemde snuiters eruit, weg met de EU. Om deze krachtige verhalen, die rationeel beschouwd alleen maar tot ellende kunnen leiden, te kunnen pareren zijn betere verhalen nodig. Geen visie willen hebben kan dus echt niet meer. Alleen maar sturen op budget en koopkracht kan ook niet meer.

Inmiddels vragen de partijen in de Tweede Kamer zich af waarom zij zich zo weinig hebben ingelaten met het digitaliseringsvraagstuk. Dat is één van de grote thema’s van deze tijd, waaraan inderdaad heel weinig aandacht, ruimte, capaciteit en middelen wordt toegekend. Voor andere grote thema’s geldt hetzelfde. Aandacht geven aan nieuwe vraagstukken vraagt om ruimte creëren, en dus om opruimen. Minder aandacht voor de vraagstukken uit de vorige eeuw, minder aandacht voor incidenten. Depolitiseer de oude vraagstukken, dat voorkomt ook het slingergedrag dat we op veel beleidsterreinen tegen komen. Het zijn grote woorden, maar om onze democratie gezond te houden, levend te houden misschien zelfs wel,  is visie en slagkracht nodig op de grote maatschappelijke thema’s van deze eeuw.

Op de artikelenpagina wijd ik verder uit op het sturingsvraagstuk van het maatschappelijk welbevinden.

Bij mijn afscheid van SZW

Eind mei nam ik afscheid van het ministerie van SZW als directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie. Mijn periode van zeven jaar zat er op. Een mooie gelegenheid om eens terug te blikken.

Ik heb met veel plezier op het departement gewerkt. De sfeer is goed, er wordt op alle niveaus goed samengewerkt, waar nodig wordt snel en zakelijk output geleverd (stukken voor de Tweede Kamer bijvoorbeeld), en de oriëntatie op de uitvoering (UWV, SVB en de gemeenten) is flink gegroeid. De medewerkers zijn enorm gecommitteerd aan de missie van SZW om vooral kwetsbare Nederlanders vooruit te helpen, en verliezen weinig energie aan competentiedrift. Kortom, ik had fijne collega’s. En ook fijne bewindspersonen, die zich verbonden voelden aan het departement.

Het gevaar van een goed draaiend departement is dat je denkt dat het met het beleid waar je verantwoordelijk voor bent ook wel goed gaat. Dat is helaas maar zeer ten dele waar. Het primaire beleidsdoel in de sociale zekerheid is mensen die op zeker moment niet zelf hun geld verdienen zo snel en zo goed mogelijk te activeren zodat ze weer maximaal mee gaan doen. Ook voor mensen die het op eigen kracht nooit zullen kunnen toch een volwaardig bestaan mogelijk maken. Daar zijn we nog ver van af. Er staan nog veel te veel mensen langs de kant. Mensen die door de uitvoerende instanties niet worden gekend of niet worden aangesproken, Mensen die in de Nederlands arbeidsmarkt geen serieuze kans wordt geboden omdat werkgevers het niet met hen aandurven. Mensen die opgroeien in een wijk waar het normaal is om niet te werken. Mensen die het ondersteunende systeem zo onbegrijpelijk vinden dat ze maar veilig in hun schulp blijven zitten. Mensen die hun leven zo plooien dat ze onnodig maximaal van een uitkering kunnen genieten. Mensen die het vertrouwen in de overheid zijn kwijtgeraakt. Eén van mijn grootste frustraties is dat het niet gelukt is om de grote groep Syriërs die in 2015 in Nederland binnenkwam hier binnen twee jaar aan het werk te hebben. Mensen die als ze niet in Nederland waren beland maar in Turkije waren blijven hangen allemaal voor hun eigen kostje hadden moeten zorgen. Dat ook kunnen en willen. Na twee jaar in Nederland had nog geen 15% betaald werk. We doen dus iets heel erg fout.

Je zou hopen dat in het socialezekerheidsbeleid stap voor stap aan verbetering wordt gewerkt. Stappen waarvan onderbouwd is dat ze de goede kant uit gaan. Onderbouwd op basis van onderzoek of praktijkervaringen, in binnen- of buitenland.  Helaas wordt het beleid zo niet gemaakt. Het beleid slingert wat heen en weer, gedreven door vermeende beelden of ideologieën, of door partiële of kortzichtige budgettaire inzichten.  Ik heb het mogen meemaken, ik heb er aan meegewerkt. Veel beleidsinterventies maken de wereld niet zo zeer beter, als wel ingewikkelder. Voor de uitvoering is een woud aan regels gecreëerd, uitvoerende instanties proberen krampachtig de mensen die zijn ondersteunen te wringen binnen hun kaders. Er wordt gehandeld met klanten voor een bepaalde ondersteuning, niet met mensen en hun onoplosbare problemen. Het sociale domein is enorm verkokerd, en veel werkenden binnen die kokers vinden dat ook wel best, of zien niet hoe zij dat kunnen veranderen.

Dat klinkt allemaal best somber. Gelukkig gaat er ook veel wel goed, en worden met de bijna 80 miljard euro die wordt uitgegeven aan de sociale zekerheid heel veel mensen echt behoed voor grote ellende. Maar het laat zien waar de uitdagingen en de kansen liggen, en gelukkig wordt aan die kansen ook gewerkt: Ruimte creëren voor onderzoek en experiment. Ruimte creëren voor onderbouwde beleidsinterventies. Ruimte creëren in het integrale sociale domein voor maatwerk in de ondersteuning voor mensen. Ruimte afdwingen voor participatie op de arbeidsmarkt. Regelingen versimpelen en de foute prikkels er uit halen. Ook daar heb ik aan mogen werken. Dat werk is nog lang niet af. Ik hoop dat de Nederlandse politiek de ruimte gaat geven om langs deze lijnen beleid door te ontwikkelen. en wat zou het dan mooi zijn als over een tijd de 80 miljard naar beneden gaat, niet als gevolg van een taakstelling of een bezuiniging, maar als gevolg van een succesvol beleid.

Ik heb binnen en buiten het departement de zoektocht mogen ondernemen naar een betere sociale zekerheid. De laatste jaren heb ik dat gecombineerd met een ontdekkingstocht naar de maatschappelijke impact van het opkomende digitale ecosysteem. Veel mensen hebben mij geïnspireerd, ik heb met veel mensen heel plezierig samengewerkt. Voor mijn afscheid heb ik een afscheidsboek gekregen met prachtige bijdragen aan het debat over een betere sociale zekerheid in een snel veranderende (en digitaliserende) wereld.

Het is te vinden op de Artikelenpagina.

De oude economie vecht harder dan de nieuwe (en de politiek is daar gevoelig voor..)

D

We zitten middenin een stevige transformatie van onze economie. Van onze hele samenleving eigenlijk. Het nieuwe digitale ecosysteem wordt steeds zichtbaarder en tastbaarder. We noemen het de vierde industriële revolutie. Ook experts zijn verbaasd over de snelheid van de huidige ontwikkelingen. Ja, een percentuele groei heeft een exponentieel karakter, en dat valt vooral op als de percentages hoog zijn. De komende twee jaar gaat alles weer sneller dan de afgelopen twee jaar.

De afgelopen jaren zijn veel zorgen geuit over de effecten van het nieuwe digitale tijdperk op de arbeidsmarkt. Gaan er veel banen verloren omdat ze worden overgenomen door computers en robots? Vanwege die zorgen is er ook hard op gestudeerd. De conclusie van de meeste van deze studies is: het baanverlies valt mee, reken op zo’n tien tot vijftien procent, maar heel veel banen gaan wel veranderen qua taakinhoud. In misschien wel driekwart van alle banen wordt een deel van de taken gedigitaliseerd, vooral de routinematige taken. Verder verloopt de economische ontwikkeling niet heel veel anders dan de afgelopen honderd jaar. Er verdwijnen ieder jaar banen, er verdwijnen langzaam maar zeker hele beroepen, en er komen elk jaar nieuwe banen bij, en ook weer nieuwe beroepen. 

De Nederlandse denktank DenkWerk, waar ik lid van mag zijn, heeft vorige maand een analyse gepresenteerd wat dit betekent voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Die analyse leverde twee belangrijke conclusies op. De eerste is dat er stevig geïnvesteerd moet worden in de digitale vaardigheden van heel veel Nederlanders. De tweede is dat door de verwachte daling van het arbeidsaanbod in het volgende decennium (dus in totaal minder mensen die kunnen of willen werken) er grote krapte dreigt te ontstaan voor de ‘nieuwe’ banen. Om de economie productief en concurrerend te houden moeten werkenden versneld uit ‘oude’ banen toegeleid worden naar ‘nieuwe’ banen. Bij- en omscholingstrajecten moeten daarvoor de ruimte creëren. Het is allemaal na te lezen op DenkWerk.online

Als het gaat om ‘oude’ banen en ‘nieuwe’ banen gaat het meestal ook om ‘oude’ bedrijven en ‘nieuwe’ bedrijven, ofwel gevestigde bedrijven tegenover de nieuwkomers. Het is natuurlijk niet te verwachten dat de gevestigde bedrijven vanzelf meewerken aan het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt voor de nieuwkomers. Integendeel, zij zullen zichzelf proberen te beschermen en daarvoor ook steun zoeken. Daarmee dreigt op twee manieren een ongelijke strijd te ontstaan. Nieuwe bedrijven gebruiken vaak de nieuwste digitale technieken. Op verzoek van de Stichting Toekomst der Techniek (STT) heeft de TU Delft vorig jaar geanalyseerd wat de stimulansen en belemmeringen zijn voor technologische doorbraken. Uit die studie bleek dat wet- en regelgeving vaak tot het langst een belemmering blijft. Nieuwe bedrijven hebben daar vaak mee te kampen. Het blijft vaak onduidelijk wat ze wel of niet kunnen en mogen uitvoeren aan nieuwe bedrijvigheid. Dat is de eerste ongelijke strijd met het gevestigde bedrijfsleven. De tweede is dat het gevestigde bedrijfsleven goed is georganiseerd en een goed netwerk heeft opgebouwd in de bestuurslagen. Hun belangen worden dankzij intensieve lobby goed voor het voetlicht gebracht. En vaak gepresenteerd als algemeen belang. Zij zorgen immers voor veel werkgelegenheid. Deels in de ‘oude’ banen, natuurlijk.

Het is voor de overheden een ingewikkelde uitdaging om deze strijd tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ op een vlak speelveld te laten plaatsvinden. Dat vraagt om een zekere distantie. Het vraagt ook om veel meer snelheid als het gaat om de wet- en regelgeving op het gebied van nieuwe technologie. Nieuwe software komt vaak in zogenaamde ‘sprints’ tot stand, korte heel intensieve periodes waarin iets concreet wordt gebouwd. Dat zou de wetgever kunnen kopiëren, in korte sprints samen met een groep deskundigen gevraagde regelgeving kunnen opzetten. Verder vraagt het natuurlijk om een goede borging van de maatschappelijk vereiste investering in om- en bijscholing.  Tenslotte vraagt het om een goede afweging van alle economische en maatschappelijke belangen, die vooral toekomstgericht is. Dat is het wezen van onze democratie, dat alle belangen een plekje krijgen in de bestuurlijke afwegingen.. De eerlijkheid gebiedt te constateren dat de gevestigde belangen vaak een zwaardere stem hebben in de bestuurlijke afweging dan de belangen van de nieuwkomers. Dat helpt niet met de toekomstgerichtheid. Maar de analyse van DenkWerk kan hierbij helpen. Als de gevestigde bedrijven melden dat er veel banen verloren dreigen te gaan, kan dat ook worden geduid als een kans! Dat geeft ruimte voor de ‘nieuwe’ banen! Het maatschappelijke belang zit er dus niet zozeer in dat de oude banen worden beschermd, maar dat werknemers goed worden ondersteund in het vinden van een nieuwe baan die past in de economie van de vierde industriële revolutie. Steeds weer zien we dat dit best een ingewikkelde uitdaging is.

Met overheidsinvesteringen bouwen aan onze toekomst

In de laatste Miljoenennota worden de begrippen intensivering en investering moeiteloos door elkaar gebruikt. Extra geld voor meer onderwijzers wordt benoemd als investering in de samenleving, bijvoorbeeld.  In het budgettaire denken is het onderscheid tussen lopende uitgaven en investeringen blijkbaar weggevallen. Maar in het economisch denken is dat onderscheid juist heel wezenlijk. Investeren doe je om je adequaat te prepareren op de toekomst. Dat geldt in het huisgezin, dat geldt in een bedrijf, en natuurlijk ook voor de overheid. Wij moeten er op kunnen rekenen dat de publieke voorzieningen ook in de toekomst passen bij wat de maatschappij er dan van verwacht. Die maatschappij zal enorm veranderen. Bijvoorbeeld omdat hij duurzaam moet worden en klimaatvriendelijk. En omdat alles wat digitaal is, van robotisering tot kunstmatige intelligentie, een grote maatschappelijke impact zal hebben.  Je verwacht dus een samenhangend investeringspakket van de overheid. En dan is het toch wel verstandig als budgettair een helder onderscheid gemaakt wordt tussen lopende uitgaven en echte  investeringen.  Onderwijssalarissen zijn dan geen investering. Het onderwijsstelsel zodanig omvormen dat het onderwijs in de komende jaren jongeren en werkenden adequaat kan voorbereiden op een gedigitaliseerde arbeidsmarkt zou wel een mooie investering zijn.  Op de Artikelenpagina werk ik dit thema wat verder uit.

Lelystad, wel een vliegveld, maar geen ziekenhuis?

Als het over de uitbreiding van het vliegveld van Lelystad gaat, worden allerlei brede economische belangen in beeld gebracht. Maar een ziekenhuis dreigt te verdwijnen omdat een zorgverzekeraar de financiering niet meer kan of wil financieren. Spelen er geen bredere belangen bij een lokaal ziekenhuis? Natuurlijk wel. De (on)zekerheid over het krijgen van de goede zorg heeft een maatschappelijke prijs, de extra reistijd van alle betrokkenen ook, en wat zou het verschil in huizenprijzen gaan worden? Om maar eens een paar dingen te noemen. De overheid kan proberen die maatschappelijke kosten en baten een plek te geven in een systeem dat de continuïteit van een ziekenhuis borgt. Maar dat is in het publiek-private stelsel van de zorg nog niet zo eenvoudig. Hoe zorg je ervoor dat het management van een ziekenhuis deugt? Hoe borg je dat een financiële impuls in een ziekenhuis niet weglekt naar de verzekeraars? Hoe blijf je binnen de staatssteunregels van Brussel?

Een puzzel, die ik op de Artikelenpagina uitwerk, maar niet kreeg opgelost…

Averechtse verkeersborden

Vroeger dacht ik, als ik rijdend over een Italiaanse weg weer eens een idioot geplaatst verkeersbord tegenkwam: dat hebben we in Nederland toch beter geregeld. Dat denk ik niet meer. Nu verbaas ik me over de schijnbaar slordige en totaal ondoordachte plaatsing van verkeersborden langs de Nederlandse snelweg. Dan heb ik het niet eens over de enorme bermvervuiling van alle borden die aangeven of je de volgende kilometers 120 of 130 mag rijden, overdag dan wel ’s nachts. Ik verbaas me vooral over de snelheidsbeperkende borden: 90 bij nat wegdek op een weg waar je 130 mag of plotsklaps 70 op een 100km weg vergezeld van een bord Slipgevaar. Neem nu die 90 bij nat wegdek. Het is al raar dat de 90 levensgroot is, en het bordje eronder pas veel later leesbaar is (en soms half achter de bermbegroeiing is verdwenen). Maar hoe werkt zo’n bord in op de psychologie van de weggebruiker? Wat gebeurt er met zijn gedrag? Wel, dat is simpel. Geen enkele automobilist trekt zich er iets van aan. Je zou ook wel gek zijn. Want stel je voor dat een automobilist  het bord serieus neemt en afremt op een nat wegdek, dan heb je toch al gauw slipgevaar, en erachter een enorme schrikreactie, een file of een kettingbotsing te pakken. Ik hoop ook maar steeds dat de CBR examinatoren dergelijke wegvakken vermijden, want wat moet je als examenkandidaat in zo’n situatie?  Het zal de bedoeling zijn dat zo’n bord de verkeersveiligheid vergroot, in werkelijkheid wordt die veiligheid eerder verkleind. Het bord plaatst de automobilist dan ook voor een vervelend dilemma: ik volg het gebod van het bord op en veroorzaak daarmee een onveilige situatie, of ik overtreed het gebod en ben dus strafbaar. Beste Rijkswaterstaat, het kan toch niet de bedoeling zijn om de automobilisten voor zo’n dilemma te plaatsen?

Goed, ik kan dus lekker mopperen, maar even goed is het wel een interessant vraagstuk. Rijkswaterstaat probeert met een verkeersbord het gedrag van de weggebruiker te beïnvloeden en dat lukt niet. Het bord sluit niet aan bij de psychologie van de automobilist. Ik weet niet of RWS gedragspsychologisch onderzoek hiernaar  heeft gedaan. Het lijkt er niet op, maar misschien onderschat ik dat. In elk geval, hoe doe je het dan wel? Een billboardcampagne langs de weg is misschien te vrijblijvend, en niet gericht op een specifiek wegvak. Een blauw vierkant  snelheidsbord is wellicht ook te vrijblijvend, hoewel ik denk dat het praktische effect minstens zo groot is als de borden die er nu staan. Een tekstbord dat uitlegt waarom er iets aan de hand is met dat wegvak gaat niet lukken als iedereen er met 130 km/u langs racet, en een zichtbare fysieke ingreep maakt het probleem waarschijnlijk ook alleen maar groter. Een rasterbord boven het betreffende wegvak dat aanspringt als de weg echt gevaarlijk nat is? Dat vindt RWS weer te duur, waarschijnlijk, en is trouwens ook filegevaarlijk, blijkt in de praktijk. Kortom, RWS krijgt nog niet zo gemakkelijk greep op de snelwegautomobilist. Maar ik hoop wel dat ze het dilemma van hierboven kunnen wegnemen. Misschien is dan toch de beste oplossing:  de weg ook veilig te laten zijn als hij nat is…

Een alternatief voor Facebook, kan de overheid dat voor ons regelen?

Facebook levert een geweldige dienst. Het is een ontzettend handig medium om familienieuws uit te wisselen, om in vriendengroepen informatie te delen, om nieuws op te snuiven enz. Facebook is ook verschrikkelijk. Het bedrijf neust heel diep in onze privégegevens en verhandelt die naar hartenlust. Het geeft ruimte aan nepnieuws en manipulatieve informatie. Waar is het alternatief dat dezelfde fijne diensten levert maar ons privéleven wel veilig laat? Gaat de markt dat leveren? Of ligt hier een rol voor de overheid?

Een rol voor de overheid? Dat is raar! Het internet is toch juist niet van de overheid, maar van ons allemaal? Toch is het niet zo raar. De overheid heeft vaker keuzes moeten maken voor een eigen rol in een nieuwe technologische ontwikkeling.

Nederland heeft een publiek omroepstelsel. Daar is destijds in de vorige eeuw bewust voor gekozen. Zowel voor de radio (in 1930) als voor de televisie (in 1951). Pas later werden commerciële zenders in ons land toegelaten. Ver daarvoor had de Nederlandse politiek al op een vergelijkbare manier  gekozen. Bijvoorbeeld door de briefpost in staatshanden te leggen. Dat was al in 1799. Of door het treinstelsel in het publieke domein te brengen. Dat was in 1860.

Zo raar is het dus niet dat ook in de digitale wereld de overheid een keuze moet maken om al dan niet een eigen rol te pakken. De Europese overheden proberen al een beetje greep te krijgen op de digitale wereld met de regulering van het gebruik van persoonsgegevens. Maar dat lijkt onvoldoende om Facebook en de andere grote Amerikaanse techbedrijven  in het goede spoor te krijgen. Monopoliewetgeving lijkt ook niet effectief. Facebook is zo groot dat we vanuit de markt geen alternatief mogen verwachten. En dus wordt het tijd voor een publieke dienst als alternatief voor Facebook: Publicbook, of iets dergelijks.  Zonder Amerikaanse commerciële pottenkijkers, maar graag zo dat ook de eigen overheid geen pottenkijker kan spelen.

Aan zo’n dienst is ongetwijfeld behoefte. En dan is Facebook een relatief eenvoudige digitale dienst. Er zijn andere, ingewikkelder digitale diensten, zoals de digitale assistent van Amazon: Alexa, of apps die het “internet of things” moeten ondersteunen die mogelijk nog veel dieper ingrijpen in ons privéleven. En tegelijk bij het hedendaagse leven gaan behoren. Ook daar heel graag een publieke dienst, die veilig is en ons niet aan Amerikaanse commerciële grootmachten overlevert!

Op de artikelenpagina werk ik het thema  verder uit.

Isla op Curaçao: een honderd jaar oude raffinaderij moet natuurlijk wel een keertje dicht

Iedereen die wel eens op Curaçao is geweest kent de raffinaderij. Hij stinkt, en ‘s nachts is het een prachtige zee van lichtjes. De raffinaderij is in 1918 in productie genomen, en in afgeschreven staat door Shell  in 1985 voor 1 gulden aan het eiland verkocht. Curaçao heeft hem sindsdien verhuurd voor 20 mln dollar per jaar aan de Venezolaanse oliemaatschappij. Sinds 1985 is er weinig in geïnvesteerd, en al helemaal niet in milieumaatregelen. Volgend jaar loopt het huurcontract af. Er is nog geen nieuwe huurder gevonden. Wie zou in het huidige tijdsgewricht ook zo’n oude meuk willen runnen, met het risico van klimaatmaatregelen en milieueisen in de lucht, die je mogelijk zouden dwingen tot miljarden investeringen, in een sector met mondiale overcapaciteit?

Wat is de huidige situatie? De raffinaderij ligt aan het Schottegat, een baai die de mooiste en beste natuurlijke diepzeehaven biedt van het hele Caribische gebied. Hij biedt aan ruim duizend mensen werk, en indirect nog eens aan ongeveer 3000 mensen. Zoals gezegd, hij stinkt. Onder de rook van de raffinaderij is het slecht toeven. Mensen die er moeten leven hebben veel gezondheidsklachten.

In de toekomst is er in de baai geen raffinaderij meer. Je hoeft geen projectontwikkelaar te zijn om te beseffen dat er talrijke mogelijkheden zijn om het gebied economisch uit te nutten, en ook dat deel van het eiland dat onder de rook van Isla lag een nieuw elan te geven. Het toerisme kan een extra boost krijgen, maar misschien ook de zakelijke dienstverlening. Curaçao is voor 80% een diensteneconomie. Het toerisme is nu al goed voor 10.000 directe banen, en nog eens 15.000 indirecte banen er bovenop.

Maar hoe loopt het pad van de huidige situatie naar die toekomst zonder raffinaderij? Tot nu toe is dat pad er niet.  Wat kunnen we van de Curaçaose overheid verwachten? De huidige situatie levert huurpenningen op, het pad naar een toekomst zonder raffinaderij kost in eerste instantie veel geld. Met ontmantelen, saneren van het vervuilde gebied en de herbestemming regelen ongetwijfeld boven een miljard dollar. Ter vergelijking: het totale BBP van Curaçao is ruim 3 mrd dollar. De overheidsschuld is ongeveer half zo groot.  Daar valt dus niet veel van te verwachten. Maar: niets doen leidt er vooral toe dat die toekomst met nieuwe werkgelegenheid zich ook niet kan ontwikkelen.

Hier ligt een uitdaging voor Nederland, denk ik. Om – samen met Curaçao – eens grondig na te denken over de vraag hoe je de herontwikkeling van het Schottegat zou kunnen organiseren en hoe je het zou kunnen financieren. De tijden zijn gunstig. Er is heel veel kapitaal op zoek naar een rendabele bestemming. De vraag is dus vooral hoe en door wie gegarandeerd kan worden dat hier een rendabel project ligt te wachten om te worden gerealiseerd.