Het coronavirus bestrijden of de economie redden?

Nu de ramingen binnendruppelen over de gevolgen van de coronapandemie voor de economie beginnen ook steeds meer economen zich af te vragen of we niet teveel aandacht aan de gezondheid van mensen besteden en te weinig aan het behoud van onze economie. Heel bot gezegd: als er vooral zieke 80plussers aan het coronavirus doodgaan, hoeveel miljoen per mens is ons dat waard? Ook Frank Kalshoven pleit in de Volkskrant van 28 maart voor een afweging tussen gezondheid en economie. Kalshoven merkt daarbij wel op dat zo’n afweging niet voor gevoelige zielen is. Zo’n niet gevoelige ziel lijkt me de president van de VS, Donald Trump. Hij wil ook dat de Amerikanen na Pasen weer gewoon aan het werk gaan.  Wat de voorstanders van zo’n afweging denk ik onderschatten is het exponentiële karakter van de pandemie. Wat daarbij ook niet helpt is dat bijna niemand prognosecijfers durft te laten zien, en erg vasthoudt aan gerealiseerde cijfers tot nu toe. Het RIVM bijvoorbeeld heeft natuurlijk wel cijfers met verwachtingen voor de komende weken, maar die worden blijkbaar alleen vertrouwelijk gedeeld aan openbaar bestuur en zorg, om paniek te voorkomen. Van een exponentiële kromme is het verleden echt  een stuk geruststellender dan de toekomst.

Om Kalshoven en anderen een beetje gevoel te geven voor de denkbare maatschappelijke acceptatie van zo’n afweging tussen zorg en economie toch maar wat berekeningen over de komende weken. Laten we eens beginnen met de ontwikkelingen in de VS, en ons concentreren op het meest harde getal in de pandemie, het dagelijks aantal sterfgevallen. Het aantal gemeten besmettingen is erg onbetrouwbaar, omdat er maar weinig getest wordt in de VS. Net als in Nederland, trouwens. Het aantal doden maakt ook de grootste maatschappelijke impact, denk ik. De VS zitten op dit moment op ongeveer 400 sterfgevallen per dag. De VS hebben ongeveer de kortste  verdubbelingstijd qua besmetting van alle landen, van ongeveer drie dagen. De komende weken zal die verdubbelingstijd voor sterfgevallen zich nog niet heel erg aanpassen, want die is immers gerelateerd aan nieuwe besmettingen van een paar weken geleden. Voorzichtig houden we een verdubbeling per vier dagen aan. Dan telt de VS de dag voor Pasen ongeveer 5000 nieuwe sterfgevallen, en twee dagen na Pasen zijn dat er 10.000. Per dag! En nog stijl oplopend. En een compleet overbevraagd zorgsysteem, zodat veel mensen die een intensive care behandeling nodig hebben of bepaalde medicatie die niet kunnen krijgen. Ik denk niet dat Trump die dagen erg succesvol zal zijn in een oproep aan het Amerikaanse volk om weer gewoon aan het werk te gaan.

Hoe liggen die cijfers voor Nederland? Wij zitten ook nog met een situatie van een stijging van alle Coronagerelateerde cijfers van ongeveer 20% per dag. Dat is een verdubbeling per vier dagen. Het RIVM hoopte recent dat we die verdubbeling inmiddels tot staan gebracht hebben, wat zou betekenen dat we over een paar weken een stabilisatie van het aantal doden per dag tegemoet kunnen zien. Maar wel een stabilisatie op het niveau dat we dan bereikt hebben. Dus als we kijken naar het aantal dagelijkse sterfgevallen, dat 26 maart jl.  op 80 lag, zitten we over twee weken op een stabilisatie van mogelijk tussen de 500 en 1000 sterfgevallen per dag. Kan het cijfer daarna ook gaan dalen? Dat is natuurlijk wel de hoop, maar we zien in nog geen enkel Westers land tekenen dat de besmettingsratio R tot aanzienlijk onder de 1 gebracht wordt. Ik hoop heel erg dat het RIVM gelijk krijgt ten aanzien van de stabilisatie. Want als de verdubbeling per vier dagen vanaf nu nog vier weken zou doorzetten, zitten we eind april in Nederland op 10.000 sterfgevallen per dag. Dan is ook de gezondheidszorg in Nederland totaal kapot en krijgen velen niet de behandeling die hen van de dood zou kunnen redden. Dat is geen getal voor gevoelige zielen. Dat is een nationale ramp, die door iedereen als ramp beleefd zal worden. Over een paar weken kent iedereen wel iemand die aan het virus is overleden. Zo’n ramp laat geen ruimte voor een versoepeling van het social distancing beleid ten faveure van de economie, lijkt mij. 

Het coronavirus en ons doenvermogen

Toen het kabinet aan de Nederlandse burgers vroeg om zich vanwege het coronavirus allerlei sociale beperkingen op te leggen moest ik meteen aan de marshmallowtest denken. Een kleuter wordt achter een marshmallow gezet met de belofte dat hij er nog één bij krijgt als hij er nog even niet van snoept. Veel kinderen blijken niet te kunnen wachten. Deze test is het leidmotief van de WRR studie “weten is nog geen doen” van een paar jaar geleden.  De studie laat overtuigend zien dat veel mensen niet in staat zijn om in bepaalde situaties tot een rationele gedragslijn te komen. Hun doenvermogen schiet op dat moment tekort. Stress is een belangrijke factor die het doenvermogen doet wegzakken. Vanuit dit inzicht is het niet verwonderlijk dat veel mensen in dit stressvolle coronavirustijdperk op de eerste de beste mooie lentedag zich niet konden houden aan de sociale beperkingen die het kabinet had afgekondigd. Ze zijn allemaal bestraffend toegesproken door diverse ministers, maar heeft dat zin? Of creëert dat een wij-zij denken, met een polariserend effect waar we nog veel last van kunnen krijgen?

Als het ons voorste deel van de hersenen even niet lukt om ons rationeel gedrag op te leggen, domineert het oer-deel van onze hersenen onze gedragingen. Dat oer-deel is ingesteld op twee soorten prikkels: angst voor pijn en behoefte aan genot. Als je mensen hun genot wil onthouden, moet je hun pijnangst aanwakkeren, zou je denken. Het is daarom opvallend dat alle overheidscommunicatie rond het virus vooral bedoeld lijkt te zijn om die angst juist niet op te roepen. Lees maar eens terug hoe geruststellend de eerste berichten waren over hoe goed Nederland was voorbereid op een virusuitbraak, hoe fantastisch ons zorgstelsel was, dat we een ruime capaciteit aan IC-bedden hadden. En we worden inmiddels wel gewaarschuwd dat we een besmettingspiek moeten vermijden, maar zonder enig concreet cijfer over hoe de komende weken zich kunnen gaan ontwikkelen. Zelfs het CPB geeft op 26 maart in het langstdurende economische recessiescenario een minder diep dal voor 2020 dan in het één na zwaarste scenario, zonder dit adequaat te kunnen duiden. Geen paniek zaaien? Geruststellingen helpen vast niet om het gedrag van mensen met een beperkt doenvermogen toch de goede dingen te laten doen. Goed informeren over wat er werkelijk staat te gebeuren, ook als dat heel erg is en angst oproept, mensen gericht ondersteunen in het maken van de goede afweging, zou dat niet beter werken?

Ik ben geen psycholoog of socioloog, maar ik maak mij wel zorgen over de maatschappelijke ontwikkeling bij langdurige sociale beperkingen. Die beperkingen zullen leiden tot verveling, meer stress en minder doenvermogen. Recalcitrant gedrag, openlijk verzet, gewelddadige weerstand. De ervaring leert dat overheden in crisissituaties snel kiezen voor handhaving met de harde hand. Daar wordt de samenleving niet echt beter van. Maar het zal heel veel creativiteit vragen om het gedrag van dat deel van de burgers met een beperkt rationeel handelingsvermogen toch in goede banen te houden. Een opdracht voor ons allemaal.

Een jaar lang Coronacrisis?

Het begint zich langzaam maar zeker af te tekenen dat we misschien wel een jaar lang moeten wachten op een goed werkend vaccin tegen het coronavirus, en tot die tijd ons enorm moeten beperken in ons sociaal functioneren om continue te vermijden dat de ernstig zieken de ziekenhuizen overspoelen. Ik probeer me dat een beetje voor te stellen: een jaar lang! Hoe gaat onze samenleving dat oplossen? En hoe gaat onze economie dat overleven? Lang niet alle economische spelers hebben een buffer waarmee ze een jaar lang tegenslag kunnen overbruggen. Kan de overheid dat wel? Over die vragen moeten we de komende weken hard gaan nadenken, vrees ik. Op de artikelenpagina heb ik een eerste stapje gezet. Sombertjes wel….

Hoe lang blijft de rente nog laag?

Pensioenfondsen zuchten, huizenbezitters wrijven zich in de handen, de Staat leent zijn geld gratis. De rente is heel laag. Waarom is dat eigenlijk zo? Economen weten dat niet zeker. De meest aannemelijke verklaring is dat heel veel mensen op de wereld sparen voor hun oudedag. Dat komt door de huidige demografische opbouw in alle welvarende delen van de wereld, met veel mensen relatief kort voor hun pensionering of daar net in. Dat levert heel veel opgehoopt vermogen. Dat sparen is nogal renteonafhankelijk. Of de rente nu hoog of laag is, je wilt of je moet sparen voor je oudedag. Besparingen moeten worden geïnvesteerd. Maar veel investeringen zijn in de gedigitaliseerde diensteneconomie een stuk minder kapitaalintensief dan vroeger. Door die verschoven balans ligt de rente zo laag, en dat kan ook nog best een tijd duren, is de gedachte. Maar wat gebeurt er met de rente als deze balans een beetje gaat schuiven? Hoeveel investeringen zijn er nodig om de rente een procentpunt omhoog te stuwen? Het eerlijke antwoord uit de economische wetenschap is: we hebben geen idee. Althans, dat is het beeld dat ik heb opgedaan na een flinke poging om hier wijzer in te worden. Toch is het wel een relevante vraag. Als de mensheid nog een beetje ouder wordt gaat er weer ontspaard worden. Voor het pensioenfonds ABP is het jaarlijkse bedrag aan uitkeringen al bijna 1 miljard euro hoger dan de premie-inleg. Voor ‘jongere’ pensioenfondsen geldt nog het omgekeerde. Voor ons andere heel grote pensioenfonds PFZW bijvoorbeeld zijn de premieontvangsten nog 2 mrd hoger dan de uitkeringen, maar ook dat gaat op zeker moment schuiven natuurlijk. Belangrijker dan wat er aan de besparingenkant gebeurt is misschien wel wat er aan de investeringenkant gaat gebeuren. Ik beschreef al eerder dat in Nederland de komende decennia voor honderden miljarden moet worden geïnvesteerd in woningen, mobiliteit, de energietransitie, klimaatadaptatie en in kennis en onderwijs. Dat levert nog wel een paar jaar gespartel op over wie dat moet gaan doen en wie het moet gaan betalen, maar de noodzaak tot deze uitgaven is uiteindelijk behoorlijk dwingend. En dat geldt natuurlijk niet alleen in Nederland. Alle meer en minder welvarende landen staan voor dezelfde uitdagingen op het gebied van klimaat en digitalisering, en veel landen hebben aanzienlijke achterstanden op hun infrastructuur. Zo heeft Duitsland recent aangekondigd de komende jaren  86 mrd euro te gaan investeren in het Duitse spoor. In totaliteit levert dit de noodzaak op om geen honderden, maar vele duizenden miljarden te investeren in de komende decennia.

Gaat dat de rente in beweging brengen? Wij weten het nog niet, het lijkt me zeer de moeite waard het verder te onderzoeken, maar mij lijkt de kans best groot. Dat zou betekenen dat investeren in de komende jaren wel eens veel goedkoper zou kunnen zijn dan in het volgende decennium. Verstandig om daar rekening mee te houden…

Als je alles optelt, moeten we heel veel investeren!

Er was de afgelopen maanden veel discussie over een investeringsfonds van het Rijk. Er was veel minder discussie over welke investeringen in Nederland de komende jaren allemaal nodig zijn en gefinancierd moeten worden door of met hulp van de overheid. En dat is gek. De inhoud is toch belangrijker dan de vorm, zou ik zeggen. Er zijn wel veel belangengroepen die begerige ogen werpen op het nog niet bestaande fonds, maar ik ken nog geen inventarisatie van alle investeringen die in Nederland moeten plaatsvinden om de klimaat- en energiecrisis op te lossen, de woon crisis te lijf te gaan en het digitaliseringstijdperk actief te betreden. Ik heb op deze onderwerpen uit diverse rapporten eens wat cijfers op een rijtje gezet en toen telden de bedragen moeiteloos op tot een totaal van boven de 350 miljard euro tot 2040. Dat ging niet over investeringen die leuk zijn om te doen, maar om investeringen die nodig zijn om alle crises te bezweren (en dan noem ik de digitaliseringsachterstanden ook maar even een crisis). Bij veel van dat bedrag staat de overheid direct of indirect aan de lat voor de financiering.

Dat is best veel geld, maar niet onmogelijk veel geld. Als we aannemen dat we jaarlijks 20 mrd euro extra aan investeringen zouden doen, is dat nog maar een beperkt deel van ons nationaal spaaroverschot. Immers dat spaaroverschot (ofwel ons overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans) stond vorig jaar op 84 mrd euro. Internationaal wordt dat grote overschot al jarenlang als een knelpunt van onze economie beschouwd. De investeringen zijn nodig om het hoofd te bieden aan de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd. Maar ze kunnen ook bijdragen aan de versterking van de economische groei van ons land. In welke mate dat is hangt af van de manier waarmee ze worden gefinancierd. Als de overheid de investeringen rechtstreek uit de belastingen financiert, is het groei effect minimaal, omdat vooral de particuliere bestedingen zullen worden verdrongen. Een studie uit 2017 van de Nationale Bank van België laat dat mooi zien. Voor investeringen kun je lenen. Het is zelfs verstandig om te lenen als de baten van de investeringen pas in latere jaren vallen. Om de overheidsinvesteringen echt te laten bijdragen aan onze economische groei moeten we ze dus met obligaties financieren en niet via de belastingen. Het is dan ook pijnlijk te moeten lezen dat onze energierekening de komende jaren fors omhoog gaat omdat de netwerkbedrijven hun investeringskosten rechtstreeks gaan doorbelasten. Zo moet het dus niet!

Een paar procentpunt BBP aan schuldfinanciering jaarlijks erbij op de Rijksbegroting, is dat te doen? Tja, daar heb je niet persé een fonds voor nodig, maar je zult er de huidige spelregels wel op aan moeten passen. En bovenal, er zal een enorme uitvoerende slagkracht moeten worden georganiseerd om de benodigde investeringen in het benodigde tempo gerealiseerd te krijgen!

Op de artikelenpagina werk ik het thema wat verder uit.

De natuur kan niet komen schreeuwen op het Malieveld

Ooit heb ik geleerd dat de belangrijkste functie van de rechtstaat is om de burger te beschermen tegen de overheid. Met de uitspraak van de Raad van State over het Nederlandse stikstofbeleid zien we ook nog een andere beschermfunctie van de rechtstaat, namelijk de bescherming van natuur en milieu tegenover economische deelbelangen. We hebben het in Nederland zover laten komen dat de belangen van natuur en economie hard met elkaar in botsing zijn gekomen. Dat is best een ingewikkelde belangenstrijd. Korte termijn economie tegenover lange termijn natuur en milieu. Heel zichtbare en hoorbare belangenvertegenwoordiging van economische deelbelangen tegenover een stemloze natuur en milieu. Onze democratische rechtstaat neemt ook niet automatisch de goede afslag als het gaat om het vinden van de goede balans tussen de verschillende belangen. Kijk naar de PAS-besluitvorming in 2012/2013. Lang hebben we gedacht of gehoopt dat, hoe schaars de ruimte in Nederland ook is, we de verschillende belangen wel konden stapelen in plaats van afwegen. Maar helaas, Nederland is erg vol met 17 miljoen Nederlanders en hun economische activiteiten, zodat de Commissie Remkes terecht constateert dat “Niet alles kan”. Die constatering is natuurlijk niet nieuw. We weten het allang, al zeker sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, maar hebben er niet altijd naar gehandeld.

Wat beschermt de rechtstaat nu precies als het om natuur en milieu gaat? Gaat het alleen om een paar vlindertjes en de wensen van een paar milieuactivisten, zoals de demonstranten op het Malieveld ons graag willen laten geloven? Nee. Natuurlijk is het heel goed als we de menselijke soort niet als alleenzaligmakend benoemen tegenover alle andere levende organismes op deze planeet, maar het gaat ook om menselijke belangen zelf, om elementen van onze ‘brede welvaart’. Neem het belang van een florerende natuur. Deze verleent ons wat we noemen natuurlijke ecosysteemdiensten. Het natuurlijke ecosysteem, dat een uitgebalanceerd maar kwetsbaar geheel is van alle onderdelen van de natuur, levert niet alleen voedsel, bouwstoffen en energie, maar zuivert ook water en lucht, organiseert de bevruchting van fruitbomen en andere gewassen, is belangrijk voor onze (mentale) gezondheid, levert een belangrijke recreatieve functie, en kan ons beschermen tegen de extremen van het klimaat. In ons BBP kennen we er geen getal aan toe. Daarom is het BBP ook maar een heel beperkte maatstaf. Het betekent zeker niet dat de ecosysteemdiensten niet belangrijk zijn.

De lange termijn gezondheidseffecten komen we veel vaker tegen. Bijvoorbeeld in het recente PFAS probleem. Of het fijnstofvraagstuk. Of het geluidsoverlastvraagstuk. Voor onze lange termijn gezondheid komen we niet naar het Malieveld. Maar de onzichtbare belangenstrijd moet wel ergens in balans worden gebracht en gehouden. Daar hebben we onze rechtstaat voor!

Globalisering vereist meer overheid


Als je ziet dat gewone mensen niet profiteren van de economische groei, en dat gewone medicijnen plotseling niet meer leverbaar zijn, of dat Facebook van jouw data een miljardenbedrijf heeft gemaakt, en dat het milieu- en klimaatprobleem maar heel aarzelend wordt aangepakt, denk je toch al gauw dat het kapitalistische systeem niet meer werkt. Het is allemaal de schuld van het neoliberalisme, hoor je steeds vaker. Veel van dit soort uitingen zijn niet erg oplossingsgericht. Maar dat er vandaag de dag maatschappelijke problemen zijn die urgent een oplossing vragen is wel duidelijk. Wie zit er eigenlijk aan het stuur van de economisch-maatschappelijke ontwikkelingen? Hebben we zelf nog iets te vertellen, of worden we beheerst door een paar grote multinationals?

)We kennen in Nederland geen ongebreideld kapitalisme. Er is eerder een sturingsdriehoek, met een balans tussen de marktkrachten, de overheidsregulering en de sociale sturing. Die laatste component onderschatten we vaak, maar is wel degelijk van grote betekenis. Soms wordt het gemeenschapszin genoemd, of het sociaal contract, of het poldergevoel. (ik heb het eerder wel het menselijk sentiment genoemd) Het gaat om het gevoel bij elkaar te horen, elkaar iets te gunnen, de kwetsbaren niet wegduwen, de mens centraal houden.  De sturingsdriehoek is door de grote bewegingen van globalisering, digitalisering en klimaatverandering op sommige terreinen uit balans geraakt. Bijvoorbeeld als de marktkracht van een multinational onevenredig is gegroeid, of de sociale sturing is afgebrokkeld, of de overheidsregulering zijn effectiviteit is kwijtgeraakt. Die onbalans is op zich niet dramatisch, dat hoort bij verandering, maar moet niet worden genegeerd. Dus als het gaat om de beloning voor arbeid, of de medicijnenmarkt, of de markt van persoonsgegevens, is het nodig te onderzoeken of de balans inderdaad is verstoord en hoe die kan worden hersteld. Vaak zal die analyse uitwijzen dat we vooral de balans tussen markt en overheid moeten wijzigen, met een grotere rol voor de overheid. Dat klinkt ideologisch, maar is eigenlijk vooral analytisch en praktisch. De keuzes van het verleden tussen markt of overheid zijn niet heilig, lijkt me.

Op de artikelenpagina werk ik het verder uit.

Beleid zonder getallen, daar koop je eigenlijk niks voor

Een tijdje geleden heb ik de ontwerp Nationale Omgevingsvisie gelezen. De NOVI. Hij was in augustus ter inzage gelegd en alle burgers van Nederland konden er tot eind september hun zienswijze op formuleren. Die zienswijzen moeten het ministerie van BZK helpen bij het formuleren van de definitieve versie. Ik was er bij toeval op gestuit, u hebt hem waarschijnlijk gemist, de media hebben de NOVI totaal genegeerd. Dat is raar, want de NOVI is straks een belangrijk beleidsinstrument voor het Rijk in de formulering van de (grotendeels gedecentraliseerde) ruimtelijke ordening. Hij vervangt de instrumenten van de afgelopen zestig jaar: de nota’s Ruimtelijke ordening, de Planologische Kernbeslissingen, de nota Ruimte. Het is een verbazingwekkend document, verbazingwekkend in zijn gebrek aan concreetheid. De NOVI bevat denkrichtingen voor de ruimtelijke ordening tot 2050, maar vrijwel geen enkel getal, en biedt geen enkel zicht op de benodigde oplossingen van de problemen waar Nederland nu voor staat: de woningnood, het stikstofprobleem, het fileprobleem, de binnenstedelijke verstopping van het verkeer, en alle klimaat- en milieuvraagstukken. Dat is toch best vreemd, voor een tekst van honderden bladzijden waaraan door een veelheid van departementen is gewerkt.

Geen enkel getal, dat ben ik de laatste tijd vaker tegen gekomen. Bijvoorbeeld vorig jaar september in de brief aan de Kamer over Leven lang ontwikkelen (LLO) van de ministers van SZW en OCW. Daarin wordt beschreven wat het belang is van LLO, en wat er -met mondjesmaat= aan geld beschikbaar is gesteld. Maar geen woord, geen enkele analyse, geen enkel getal over wat er nodig is aan LLO inzet om de arbeidsmarkt goed te kunnen laten functioneren. Dat het ook anders kan wordt gedemonstreerd in het DenkWerk rapport ‘Arbeidsmarkt in Transitie’ (2018). Dat rapport laat ook nogal duidelijk zien dat de huidige inzet schromelijk tekort schiet. Er staan ook weinig concrete getallen in de Prinsjesdagstukken van vorige maand. Er wordt aangegeven wat het kabinet aan extra middelen inzet voor de woningbouw, maar op geen enkele manier wordt aangeduid wat er nodig is aan inzet om de beoogde doelen in de woningbouw te bereiken. En de middelen die beschikbaar worden gesteld om de ondermijning en de drugscriminaliteit te bestrijden worden nergens geconfronteerd met wat je er mee kunt bereiken, en de vraag of extra inzet van middelen op een mislukt beleid van de afgelopen dertig jaar tot voldoende resultaat zal leiden wordt niet gesteld, laat staan beantwoord.

Zo kan ik nog een flinke tijd doorgaan. Beleid wordt heel vaak geformuleerd in mooie woorden, maar niet gekwantificeerd in termen van concrete doelen en de benodigde inzet die tot die doelen moet leiden. Het enige dat wordt vastgelegd is het beschikbare budget. Doelen stellen is in de politieke cultuur van vandaag gevaarlijk, want daar kun je op afgerekend worden. De inzet specificeren is lastig, want dan moet je kiezen voor instrumenten die bewezen hebben te werken, en wordt de ruimte voor partijpolitieke ideetjes beperkt. Maar het gevolg van het niet willen kwantificeren is wel dat we een stikstofprobleem hebben, en een woningtekort, een lerarentekort, een fileprobleem. En we geen idee hebben of het fileprobleem in Nederland wordt verminderd, of de ondermijning wordt gekeerd, of de ruimtelijke inrichting de echte knelpunten gaat oplossen en of het arbeidsmarktaanbod de komende jaren over de skills beschikt die nodig zijn.

Geen idee, dat is wel jammer, en eigenlijk ook wel heel raar. Onbegrijpelijk, eigenlijk. Misschien wel een mooi thema voor een dialoog tussen kabinet en parlement.

Vertrouwen herstellen met 21e-eeuwse visie en slagkracht

We hebben bijna het beste pensioenstelsel van de wereld, maar na meer dan tien jaar discussiëren over noodzakelijke aanpassingen vertrouwt niemand in Nederland er meer op. We hebben een super ambitieuze klimaatdoelstelling voor 2040 en 2050, maar na de recente chaos omtrent het klimaatakkoord gelooft niemand meer dat we op koers liggen om die doelen ook echt te halen. We praten al twintig jaar over “leven lang leren”, maar we zien er in het dagelijks leven niets van terug.

Is het dan een wonder dat de burger er geen vertrouwen meer in heeft dat de overheid in staat is de vraagstukken van deze tijd adequaat aan te pakken? Nee, dat is geen wonder, maar zorgelijk is het wel. Want een burger die zich afkeert van de huidige overheid kiest wellicht voor anti-establishment verhalen, kiest voor gele hesjes, voor een Brexit of een zogenaamde sterke man. Waar de politiek verantwoordelijken worstelen met de verkeerde vraagstukken en geen visie kunnen neerzetten over de ontwikkeling van het maatschappelijk welbevinden in deze eeuw, hebben de populisten juist wel een krachtig verhaal over hoe zij de toekomst zien: eigen land eerst, vreemde snuiters eruit, weg met de EU. Om deze krachtige verhalen, die rationeel beschouwd alleen maar tot ellende kunnen leiden, te kunnen pareren zijn betere verhalen nodig. Geen visie willen hebben kan dus echt niet meer. Alleen maar sturen op budget en koopkracht kan ook niet meer.

Inmiddels vragen de partijen in de Tweede Kamer zich af waarom zij zich zo weinig hebben ingelaten met het digitaliseringsvraagstuk. Dat is één van de grote thema’s van deze tijd, waaraan inderdaad heel weinig aandacht, ruimte, capaciteit en middelen wordt toegekend. Voor andere grote thema’s geldt hetzelfde. Aandacht geven aan nieuwe vraagstukken vraagt om ruimte creëren, en dus om opruimen. Minder aandacht voor de vraagstukken uit de vorige eeuw, minder aandacht voor incidenten. Depolitiseer de oude vraagstukken, dat voorkomt ook het slingergedrag dat we op veel beleidsterreinen tegen komen. Het zijn grote woorden, maar om onze democratie gezond te houden, levend te houden misschien zelfs wel,  is visie en slagkracht nodig op de grote maatschappelijke thema’s van deze eeuw.

Op de artikelenpagina wijd ik verder uit op het sturingsvraagstuk van het maatschappelijk welbevinden.

Bij mijn afscheid van SZW

Eind mei nam ik afscheid van het ministerie van SZW als directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie. Mijn periode van zeven jaar zat er op. Een mooie gelegenheid om eens terug te blikken.

Ik heb met veel plezier op het departement gewerkt. De sfeer is goed, er wordt op alle niveaus goed samengewerkt, waar nodig wordt snel en zakelijk output geleverd (stukken voor de Tweede Kamer bijvoorbeeld), en de oriëntatie op de uitvoering (UWV, SVB en de gemeenten) is flink gegroeid. De medewerkers zijn enorm gecommitteerd aan de missie van SZW om vooral kwetsbare Nederlanders vooruit te helpen, en verliezen weinig energie aan competentiedrift. Kortom, ik had fijne collega’s. En ook fijne bewindspersonen, die zich verbonden voelden aan het departement.

Het gevaar van een goed draaiend departement is dat je denkt dat het met het beleid waar je verantwoordelijk voor bent ook wel goed gaat. Dat is helaas maar zeer ten dele waar. Het primaire beleidsdoel in de sociale zekerheid is mensen die op zeker moment niet zelf hun geld verdienen zo snel en zo goed mogelijk te activeren zodat ze weer maximaal mee gaan doen. Ook voor mensen die het op eigen kracht nooit zullen kunnen toch een volwaardig bestaan mogelijk maken. Daar zijn we nog ver van af. Er staan nog veel te veel mensen langs de kant. Mensen die door de uitvoerende instanties niet worden gekend of niet worden aangesproken, Mensen die in de Nederlands arbeidsmarkt geen serieuze kans wordt geboden omdat werkgevers het niet met hen aandurven. Mensen die opgroeien in een wijk waar het normaal is om niet te werken. Mensen die het ondersteunende systeem zo onbegrijpelijk vinden dat ze maar veilig in hun schulp blijven zitten. Mensen die hun leven zo plooien dat ze onnodig maximaal van een uitkering kunnen genieten. Mensen die het vertrouwen in de overheid zijn kwijtgeraakt. Eén van mijn grootste frustraties is dat het niet gelukt is om de grote groep Syriërs die in 2015 in Nederland binnenkwam hier binnen twee jaar aan het werk te hebben. Mensen die als ze niet in Nederland waren beland maar in Turkije waren blijven hangen allemaal voor hun eigen kostje hadden moeten zorgen. Dat ook kunnen en willen. Na twee jaar in Nederland had nog geen 15% betaald werk. We doen dus iets heel erg fout.

Je zou hopen dat in het socialezekerheidsbeleid stap voor stap aan verbetering wordt gewerkt. Stappen waarvan onderbouwd is dat ze de goede kant uit gaan. Onderbouwd op basis van onderzoek of praktijkervaringen, in binnen- of buitenland.  Helaas wordt het beleid zo niet gemaakt. Het beleid slingert wat heen en weer, gedreven door vermeende beelden of ideologieën, of door partiële of kortzichtige budgettaire inzichten.  Ik heb het mogen meemaken, ik heb er aan meegewerkt. Veel beleidsinterventies maken de wereld niet zo zeer beter, als wel ingewikkelder. Voor de uitvoering is een woud aan regels gecreëerd, uitvoerende instanties proberen krampachtig de mensen die zijn ondersteunen te wringen binnen hun kaders. Er wordt gehandeld met klanten voor een bepaalde ondersteuning, niet met mensen en hun onoplosbare problemen. Het sociale domein is enorm verkokerd, en veel werkenden binnen die kokers vinden dat ook wel best, of zien niet hoe zij dat kunnen veranderen.

Dat klinkt allemaal best somber. Gelukkig gaat er ook veel wel goed, en worden met de bijna 80 miljard euro die wordt uitgegeven aan de sociale zekerheid heel veel mensen echt behoed voor grote ellende. Maar het laat zien waar de uitdagingen en de kansen liggen, en gelukkig wordt aan die kansen ook gewerkt: Ruimte creëren voor onderzoek en experiment. Ruimte creëren voor onderbouwde beleidsinterventies. Ruimte creëren in het integrale sociale domein voor maatwerk in de ondersteuning voor mensen. Ruimte afdwingen voor participatie op de arbeidsmarkt. Regelingen versimpelen en de foute prikkels er uit halen. Ook daar heb ik aan mogen werken. Dat werk is nog lang niet af. Ik hoop dat de Nederlandse politiek de ruimte gaat geven om langs deze lijnen beleid door te ontwikkelen. en wat zou het dan mooi zijn als over een tijd de 80 miljard naar beneden gaat, niet als gevolg van een taakstelling of een bezuiniging, maar als gevolg van een succesvol beleid.

Ik heb binnen en buiten het departement de zoektocht mogen ondernemen naar een betere sociale zekerheid. De laatste jaren heb ik dat gecombineerd met een ontdekkingstocht naar de maatschappelijke impact van het opkomende digitale ecosysteem. Veel mensen hebben mij geïnspireerd, ik heb met veel mensen heel plezierig samengewerkt. Voor mijn afscheid heb ik een afscheidsboek gekregen met prachtige bijdragen aan het debat over een betere sociale zekerheid in een snel veranderende (en digitaliserende) wereld.

Het is te vinden op de Artikelenpagina.