Met overheidsinvesteringen bouwen aan onze toekomst

In de laatste Miljoenennota worden de begrippen intensivering en investering moeiteloos door elkaar gebruikt. Extra geld voor meer onderwijzers wordt benoemd als investering in de samenleving, bijvoorbeeld.  In het budgettaire denken is het onderscheid tussen lopende uitgaven en investeringen blijkbaar weggevallen. Maar in het economisch denken is dat onderscheid juist heel wezenlijk. Investeren doe je om je adequaat te prepareren op de toekomst. Dat geldt in het huisgezin, dat geldt in een bedrijf, en natuurlijk ook voor de overheid. Wij moeten er op kunnen rekenen dat de publieke voorzieningen ook in de toekomst passen bij wat de maatschappij er dan van verwacht. Die maatschappij zal enorm veranderen. Bijvoorbeeld omdat hij duurzaam moet worden en klimaatvriendelijk. En omdat alles wat digitaal is, van robotisering tot kunstmatige intelligentie, een grote maatschappelijke impact zal hebben.  Je verwacht dus een samenhangend investeringspakket van de overheid. En dan is het toch wel verstandig als budgettair een helder onderscheid gemaakt wordt tussen lopende uitgaven en echte  investeringen.  Onderwijssalarissen zijn dan geen investering. Het onderwijsstelsel zodanig omvormen dat het onderwijs in de komende jaren jongeren en werkenden adequaat kan voorbereiden op een gedigitaliseerde arbeidsmarkt zou wel een mooie investering zijn.  Op de Artikelenpagina werk ik dit thema wat verder uit.

Lelystad, wel een vliegveld, maar geen ziekenhuis?

Als het over de uitbreiding van het vliegveld van Lelystad gaat, worden allerlei brede economische belangen in beeld gebracht. Maar een ziekenhuis dreigt te verdwijnen omdat een zorgverzekeraar de financiering niet meer kan of wil financieren. Spelen er geen bredere belangen bij een lokaal ziekenhuis? Natuurlijk wel. De (on)zekerheid over het krijgen van de goede zorg heeft een maatschappelijke prijs, de extra reistijd van alle betrokkenen ook, en wat zou het verschil in huizenprijzen gaan worden? Om maar eens een paar dingen te noemen. De overheid kan proberen die maatschappelijke kosten en baten een plek te geven in een systeem dat de continuïteit van een ziekenhuis borgt. Maar dat is in het publiek-private stelsel van de zorg nog niet zo eenvoudig. Hoe zorg je ervoor dat het management van een ziekenhuis deugt? Hoe borg je dat een financiële impuls in een ziekenhuis niet weglekt naar de verzekeraars? Hoe blijf je binnen de staatssteunregels van Brussel?

Een puzzel, die ik op de Artikelenpagina uitwerk, maar niet kreeg opgelost…

Averechtse verkeersborden

Vroeger dacht ik, als ik rijdend over een Italiaanse weg weer eens een idioot geplaatst verkeersbord tegenkwam: dat hebben we in Nederland toch beter geregeld. Dat denk ik niet meer. Nu verbaas ik me over de schijnbaar slordige en totaal ondoordachte plaatsing van verkeersborden langs de Nederlandse snelweg. Dan heb ik het niet eens over de enorme bermvervuiling van alle borden die aangeven of je de volgende kilometers 120 of 130 mag rijden, overdag dan wel ’s nachts. Ik verbaas me vooral over de snelheidsbeperkende borden: 90 bij nat wegdek op een weg waar je 130 mag of plotsklaps 70 op een 100km weg vergezeld van een bord Slipgevaar. Neem nu die 90 bij nat wegdek. Het is al raar dat de 90 levensgroot is, en het bordje eronder pas veel later leesbaar is (en soms half achter de bermbegroeiing is verdwenen). Maar hoe werkt zo’n bord in op de psychologie van de weggebruiker? Wat gebeurt er met zijn gedrag? Wel, dat is simpel. Geen enkele automobilist trekt zich er iets van aan. Je zou ook wel gek zijn. Want stel je voor dat een automobilist  het bord serieus neemt en afremt op een nat wegdek, dan heb je toch al gauw slipgevaar, en erachter een enorme schrikreactie, een file of een kettingbotsing te pakken. Ik hoop ook maar steeds dat de CBR examinatoren dergelijke wegvakken vermijden, want wat moet je als examenkandidaat in zo’n situatie?  Het zal de bedoeling zijn dat zo’n bord de verkeersveiligheid vergroot, in werkelijkheid wordt die veiligheid eerder verkleind. Het bord plaatst de automobilist dan ook voor een vervelend dilemma: ik volg het gebod van het bord op en veroorzaak daarmee een onveilige situatie, of ik overtreed het gebod en ben dus strafbaar. Beste Rijkswaterstaat, het kan toch niet de bedoeling zijn om de automobilisten voor zo’n dilemma te plaatsen?

Goed, ik kan dus lekker mopperen, maar even goed is het wel een interessant vraagstuk. Rijkswaterstaat probeert met een verkeersbord het gedrag van de weggebruiker te beïnvloeden en dat lukt niet. Het bord sluit niet aan bij de psychologie van de automobilist. Ik weet niet of RWS gedragspsychologisch onderzoek hiernaar  heeft gedaan. Het lijkt er niet op, maar misschien onderschat ik dat. In elk geval, hoe doe je het dan wel? Een billboardcampagne langs de weg is misschien te vrijblijvend, en niet gericht op een specifiek wegvak. Een blauw vierkant  snelheidsbord is wellicht ook te vrijblijvend, hoewel ik denk dat het praktische effect minstens zo groot is als de borden die er nu staan. Een tekstbord dat uitlegt waarom er iets aan de hand is met dat wegvak gaat niet lukken als iedereen er met 130 km/u langs racet, en een zichtbare fysieke ingreep maakt het probleem waarschijnlijk ook alleen maar groter. Een rasterbord boven het betreffende wegvak dat aanspringt als de weg echt gevaarlijk nat is? Dat vindt RWS weer te duur, waarschijnlijk, en is trouwens ook filegevaarlijk, blijkt in de praktijk. Kortom, RWS krijgt nog niet zo gemakkelijk greep op de snelwegautomobilist. Maar ik hoop wel dat ze het dilemma van hierboven kunnen wegnemen. Misschien is dan toch de beste oplossing:  de weg ook veilig te laten zijn als hij nat is…

Een alternatief voor Facebook, kan de overheid dat voor ons regelen?

Facebook levert een geweldige dienst. Het is een ontzettend handig medium om familienieuws uit te wisselen, om in vriendengroepen informatie te delen, om nieuws op te snuiven enz. Facebook is ook verschrikkelijk. Het bedrijf neust heel diep in onze privégegevens en verhandelt die naar hartenlust. Het geeft ruimte aan nepnieuws en manipulatieve informatie. Waar is het alternatief dat dezelfde fijne diensten levert maar ons privéleven wel veilig laat? Gaat de markt dat leveren? Of ligt hier een rol voor de overheid?

Een rol voor de overheid? Dat is raar! Het internet is toch juist niet van de overheid, maar van ons allemaal? Toch is het niet zo raar. De overheid heeft vaker keuzes moeten maken voor een eigen rol in een nieuwe technologische ontwikkeling.

Nederland heeft een publiek omroepstelsel. Daar is destijds in de vorige eeuw bewust voor gekozen. Zowel voor de radio (in 1930) als voor de televisie (in 1951). Pas later werden commerciële zenders in ons land toegelaten. Ver daarvoor had de Nederlandse politiek al op een vergelijkbare manier  gekozen. Bijvoorbeeld door de briefpost in staatshanden te leggen. Dat was al in 1799. Of door het treinstelsel in het publieke domein te brengen. Dat was in 1860.

Zo raar is het dus niet dat ook in de digitale wereld de overheid een keuze moet maken om al dan niet een eigen rol te pakken. De Europese overheden proberen al een beetje greep te krijgen op de digitale wereld met de regulering van het gebruik van persoonsgegevens. Maar dat lijkt onvoldoende om Facebook en de andere grote Amerikaanse techbedrijven  in het goede spoor te krijgen. Monopoliewetgeving lijkt ook niet effectief. Facebook is zo groot dat we vanuit de markt geen alternatief mogen verwachten. En dus wordt het tijd voor een publieke dienst als alternatief voor Facebook: Publicbook, of iets dergelijks.  Zonder Amerikaanse commerciële pottenkijkers, maar graag zo dat ook de eigen overheid geen pottenkijker kan spelen.

Aan zo’n dienst is ongetwijfeld behoefte. En dan is Facebook een relatief eenvoudige digitale dienst. Er zijn andere, ingewikkelder digitale diensten, zoals de digitale assistent van Amazon: Alexa, of apps die het “internet of things” moeten ondersteunen die mogelijk nog veel dieper ingrijpen in ons privéleven. En tegelijk bij het hedendaagse leven gaan behoren. Ook daar heel graag een publieke dienst, die veilig is en ons niet aan Amerikaanse commerciële grootmachten overlevert!

Op de artikelenpagina werk ik het thema  verder uit.

Isla op Curaçao: een honderd jaar oude raffinaderij moet natuurlijk wel een keertje dicht

Iedereen die wel eens op Curaçao is geweest kent de raffinaderij. Hij stinkt, en ‘s nachts is het een prachtige zee van lichtjes. De raffinaderij is in 1918 in productie genomen, en in afgeschreven staat door Shell  in 1985 voor 1 gulden aan het eiland verkocht. Curaçao heeft hem sindsdien verhuurd voor 20 mln dollar per jaar aan de Venezolaanse oliemaatschappij. Sinds 1985 is er weinig in geïnvesteerd, en al helemaal niet in milieumaatregelen. Volgend jaar loopt het huurcontract af. Er is nog geen nieuwe huurder gevonden. Wie zou in het huidige tijdsgewricht ook zo’n oude meuk willen runnen, met het risico van klimaatmaatregelen en milieueisen in de lucht, die je mogelijk zouden dwingen tot miljarden investeringen, in een sector met mondiale overcapaciteit?

Wat is de huidige situatie? De raffinaderij ligt aan het Schottegat, een baai die de mooiste en beste natuurlijke diepzeehaven biedt van het hele Caribische gebied. Hij biedt aan ruim duizend mensen werk, en indirect nog eens aan ongeveer 3000 mensen. Zoals gezegd, hij stinkt. Onder de rook van de raffinaderij is het slecht toeven. Mensen die er moeten leven hebben veel gezondheidsklachten.

In de toekomst is er in de baai geen raffinaderij meer. Je hoeft geen projectontwikkelaar te zijn om te beseffen dat er talrijke mogelijkheden zijn om het gebied economisch uit te nutten, en ook dat deel van het eiland dat onder de rook van Isla lag een nieuw elan te geven. Het toerisme kan een extra boost krijgen, maar misschien ook de zakelijke dienstverlening. Curaçao is voor 80% een diensteneconomie. Het toerisme is nu al goed voor 10.000 directe banen, en nog eens 15.000 indirecte banen er bovenop.

Maar hoe loopt het pad van de huidige situatie naar die toekomst zonder raffinaderij? Tot nu toe is dat pad er niet.  Wat kunnen we van de Curaçaose overheid verwachten? De huidige situatie levert huurpenningen op, het pad naar een toekomst zonder raffinaderij kost in eerste instantie veel geld. Met ontmantelen, saneren van het vervuilde gebied en de herbestemming regelen ongetwijfeld boven een miljard dollar. Ter vergelijking: het totale BBP van Curaçao is ruim 3 mrd dollar. De overheidsschuld is ongeveer half zo groot.  Daar valt dus niet veel van te verwachten. Maar: niets doen leidt er vooral toe dat die toekomst met nieuwe werkgelegenheid zich ook niet kan ontwikkelen.

Hier ligt een uitdaging voor Nederland, denk ik. Om – samen met Curaçao – eens grondig na te denken over de vraag hoe je de herontwikkeling van het Schottegat zou kunnen organiseren en hoe je het zou kunnen financieren. De tijden zijn gunstig. Er is heel veel kapitaal op zoek naar een rendabele bestemming. De vraag is dus vooral hoe en door wie gegarandeerd kan worden dat hier een rendabel project ligt te wachten om te worden gerealiseerd.

Hoe kunnen we het overheidsbeleid versnellen in dit digitale tijdperk?

Tien jaar geleden sprak bijna niemand over robots. Tegenwoordig kun je geen krant opslaan of er staat iets over robots in. Tien jaar geleden kenden alleen een paar insiders de betekenis van het begrip circulaire economie. Tegenwoordig praat elke ondernemer er over. Zo snel kan het gaan. Zo gaat dat met een exponentiële ontwikkeling. Lang blijft de ontwikkeling onopgemerkt, en in één keer wordt hij groot en zie je ook de enorme groei. Onze samenleving raakt ingebed in een nieuw digitaal ecosysteem. Onze economie moet rekening gaan houden met de uitputting van ons natuurlijk ecosysteem. Geeft de overheid voldoende richting aan die bewegingen? Veel betrokkenen klagen dat dat niet het geval is. Dat ze niet kunnen acteren omdat ze geen inzicht hebben in wat mag en niet mag, of omdat noodzakelijke dingen niet mogen omdat ze in de oude wereld ooit verboden werden. Anderen voelen zich bedreigd omdat ze zich onbeschermd voelen door grote krachten die voortspruiten uit het digitale tijdperk. Bijvoorbeeld omdat ze niet weten welke persoonlijke data van hen worden verzameld, verhandeld en ingezet. Of omdat ze niet weten wat de robot van de toekomst wel en niet kan en mag doen in de interactie met mensen. De overheid acteert te traag, is een veelgehoorde klacht. De vraag is dan: hoe kan het overheidsbeleid versnellen? Welke veranderingen in het proces van wet- en regelgeving, of van politiek-democratische besluitvorming zouden kunnen helpen om snelheid en focus te ontwikkelen op de maatschappelijke ontwikkelingen van dit moment, zodat er richting gegeven kan worden aan die ontwikkelingen vanuit een maatschappelijk doel van welbevinden, en niet vanuit een (economisch) deelbelang? Ik kan er een paar verzinnen. De meest gangbare is om meer experimenteerruimte te creëren in de wet- en regelgeving. Met gerichte en goed begeleide experimenten kan kennis worden opgedaan die helpt bij het opstellen van grootschaliger regelgeving. Het nadeel van deze methodiek is dat dergelijke experimenten pas laat tot bewezen kennis leiden en dus voor een snel optreden minder geschikt zijn. Een andere verandering zou kunnen zijn dat lopende een kabinetsperiode al intensief de volgende periode wordt voorbereid. Dan hoeft bij een kabinetsformatie niet een heel programma nog ontworpen te worden, maar kunnen integrale keuzes gemaakt worden vanuit een palet aan voorstellen die gericht zijn op de grote maatschappelijke ontwikkelingen en deskundig door divers samengestelde groepen zijn voorbereid. Een iets radicaler idee is om het proces van democratie en wetgeving om te draaien. Nu duurt het vaak jaren voordat een politiek-democratisch proces is doorlopen en iets tot wet kan worden verheven. Misschien kan het andersom. Eerst met betrokken experts een wet maken en van kracht laten worden, en dan het politiek-democratische proces om die wet te bestendigen of te verwerpen. Natuurlijk zitten daar haken en ogen aan. Misschien zijn er nog veel slimmere dingen te verzinnen. Maar alles bij het oude te laten lijkt geen optie. Dan hobbelt de overheid zichzelf naar een onmondige zijlijn. Dus misschien moeten we een voorbeeld nemen aan de gebeurtenissen van een eeuw geleden. Toen het algemeen kiesrecht werd ingevoerd. Toen bijvoorbeeld het ministerie van Sociale Zaken en het ministerie van Onderwijs werden gegrondvest. Radicale veranderingen in een woelige tijd. Sommige tijden vragen daarom.

Op de artikelenpagina werk ik deze gedachten iets verder uit.

Hoe moeten we nu verder met de globalisering?

We leven in een onzekere wereld. Veel mensen zuchten daaronder, en zien de globalisering als één van de boosdoeners. Sommigen kiezen voor de weg terug. Een kleine meerderheid van de Britten bijvoorbeeld, toen ze voor de Brexit stemden. Of president Trump, die terug wil naar de tijd dat de VS alles domineerde. Of de nationalistische politici op het Europese continent, die naar believen buitenlandse invloed willen kunnen buitensluiten. Maar de weg terug bestaat niet. In tegendeel, de globalisering zet geheel op eigen kracht door. De wereld wordt steeds meer één systeem. Dankzij de moderne digitale technologieën en communicatiemogelijkheden. Een land alleen beslist dus nog maar in beperkte mate over zijn eigen toekomst. Veel hangt er van af hoe het wereldstelsel zich ontwikkelt. Ook het Westen als geheel bepaalt de toekomst niet meer. Azië gaat een belangrijke rol op zich nemen. Ons stelsel van overheden is daar echter (nog) niet op gebouwd. Er is geen overheid voor het wereldstelsel. Voor de komende tijd blijven we aangewezen op een systeem van internationale afspraken en verdragen. Die kunnen alleen goed werken als we daar gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor nemen, en de betekenis ervan willen uitdragen. In dat licht bezien is de huidige koers van de Amerikaanse president Trump “Make America great again” onzinnig vanuit de huidige trend bezien, schadelijk voor het stelsel van internationale afspraken, en een open uitnodiging aan de Aziatische staten om de internationale spelregels om te buigen.

Op de pagina Artikelen heb ik een uitwerking van deze thema’s geplaatst.

De moeizame weg van Rwanda uit de armoede

Veel Afrikaanse landen zijn arm en hebben een enorm overschot aan jonge arbeidskrachten, waar eigenlijk geen werk voor is. In de landbouw zijn ze niet meer nodig, in de zich traag opbouwende  industrie- en dienstensector is nog te weinig werk, en de vraag is of dat in de gedigitaliseerde toekomst ooit voldoende gaat worden. Ik mocht vorige maand een week door Rwanda trekken en dit vraagstuk met eigen ogen aanschouwen. Rwanda is een klein arm land in het midden van Afrika, waarvan de economie nog extreem op de kleinschalige landbouw is gebaseerd. Het land probeert een diensteneconomie op te bouwen, maar veel verder dan een aantal kantoorgebouwen in de hoofdstad Kigali is dat nog niet gekomen. En is het überhaupt mogelijk, om de industriële fase over te slaan in de economische ontwikkeling? Voor Rwanda zijn dit acute vragen, want na een periode van gematigde economische groei dreigt het land vast te lopen in de eigen armoede. Het land krijgt veel buitenlandse hulp, maar die hulp biedt nog geen antwoord op deze vragen. Het is niet onbelangrijk dat de goede antwoorden worden gevonden. Dat geldt voor Rwanda, dat geldt voor veel andere Afrikaanse landen evenzeer. Het geldt ook voor Europa, dat niet gebaat is bij een instabiel aanliggend continent.

Op de artikelenpagina vertel ik meer over Rwanda en zijn macro-economische vraagstuk.

Nederland is een Insiderland

Elk land heeft zijn insiders en zijn outsiders. Nederland doet het prima voor zijn insiders, soms ook wel de gewone hardwerkende Nederlander genoemd. Maar in Nederland zijn de outsiders wel echt out! In internationale vergelijkingen scoort Nederland heel slecht als het gaat over banen voor mensen met een beperking, om kansen voor oudere werklozen, om pestgedrag op de werkvloer, om discriminatie van mensen met een migratieachtergrond. Heel slecht is ook echt heel slecht, het laagst of vrijwel het laagst van de Europese Unie. Mijn vorige bericht gaf daar al een voorbeeld van. En de laaggeletterde Nederlander (daar zijn er ongeveer 2 miljoen van) die wat hobbelt langs een reeks van flexbanen voelt zich er ook niet echt bij horen.

Vanuit dit beeld is het logisch dat veel insiders bang zijn om outsider te worden! Ik vind het begrip “fear of falling” van de middengroepen erg aansprekend. De grote dynamiek in de wereldeconomie, vanuit globalisering en digitalisering, die macro veel goed doet, maar micro heel bedreigend kan zijn, voedt die angst, die versterkt wordt door het beeld van de outsider die echt out is. Angst is geen goede voedingsbodem voor een beleid dat de outsiders meer naar binnen haalt. Dus een meer inclusieve samenleving begint bij het verkleinen van die angst. Vervolgens is het mogelijk om concrete doelen te stellen aan de hand van die akelig uitpakkende internationale vergelijkingen. We zouden toch weg moeten willen komen van die bodemposities. Andere landen kunnen dat ook!

Op de Artikelenpagina werk ik het uit.

Voor iedereen werk?

Prachtig nieuws! De economische groei komt dit jaar boven de 3% uit. De werkloosheid daalt als nooit tevoren! Iedereen blij?

Misschien is het nuttig twee grafieken te laten zien die aangeven dat onderliggend het beeld op de arbeidsmarkt nog niet klopt. De eerste grafiek geeft de arbeidsparticipatie weer van verschillende groepen op de arbeidsmarkt. Voor de groepen die in de drie onderste lijnen zijn weergegeven, de niet-westerse migranten, de laag-opgeleiden en de mensen met een arbeidsbeperking is er nog een wereld te winnen.

Kijk ook naar de tweede grafiek, die onze positie laat zien in Europa. Is dat niet raar, zo laag, nog onder Roemenië en Hongarije?

 

Daar hoef ik verder niets aan toe te lichten, lijkt me.